Hebben we de hoogste inkomens niet al bediend?

Paul O'Neill zou wel eens de laatste kroongetuige kunnen zijn die de realiteit van dit Witte Huis onthult vóór George Bush een tweede ambtstermijn vraagt. Uit het boek van deze oud-minister van financiën doemt het beeld op van een ideologisch gedreven, zelden naar de feiten nieuwsgierige president.

Eind juni 2002 wist Paul O'Neill dat hij niet meer zo goed lag bij de president van de Verenigde Staten. ,,Hey there, Pablo'' werd als vaste begroeting vervangen door ,,Hey there, Big O''. De 67-jarige minister van financiën vertelde het nieuws 's avonds aan zijn vrouw Nancy.

President Bush voegde O'Neill ten overstaan van een zaal vol Witte Huis-medewerkers ook toe: ,,Zeg, je begint behoorlijk naam te maken als waarheidzegger. Je hebt een echte schare bewonderaars verzameld, niet?'' Op de agenda stond een dreigende budgettaire crisis. O'Neills fiscaal prudente standpunt, dat hij in een memo aan de president had geuit, was die ochtend door The Wall Street Journal gekraakt.

Het was na anderhalf jaar de eerste verbale aanduiding dat president Bush moeite had met de man die hij op aanraden van vice-president Cheney naar Washington had gesleept om de grootste economie in de wereld te sturen. O'Neill was eind 2000 net aan zijn pensioen toe, nadat hij in dertien jaar het bedrijf Alcoa had gered en tot een van de meest succesvolle aluminiumproducenten in de wereld had gemaakt.

Er waren al meer lekken geweest door adviseurs die vonden dat O'Neill onvoldoende op de beloofde belastingverlagingskoers zat. De president had vaak glazig gekeken als hij iets voorstelde. En op 5 december 2002 belde vice-president Cheney ten slotte de minister van financiën met de mededeling dat de president ,,enkele wijzigingen in het economische team wil aanbrengen. Jij bent deel van die wijzigingen''.

O'Neill weigerde het erop te houden dat hij er `de voorkeur aan gaf weer in het bedrijfsleven te gaan werken'. ,,Ik ben te oud om te liegen'', zei hij. ,,De president heeft het volste recht om te zeggen wie hij om zich heen wil hebben.'' De volgende ochtend lag zijn ontslagbrief bij de president, tegen de wensen van de voorlichters in. Larry Lindsey, de adviseur met wie O'Neill het meest overhoop had gelegen, moest nog horen dat hij ook kon gaan.

In het deze week gepubliceerde boek The Price of Loyalty. George W. Bush, the White House and the Education of Paul O'Neill beschrijft de journalist Ron Suskind aan de hand van acht maanden gesprekken met O'Neill en andere, niet met naam genoemde insiders de eerste twee jaren van de regering-Bush, en vooral de manier waarop de interne lijnen van invloed en loyaliteit in het Witte Huis lopen. Het boek is sterk gebaseerd op de herinneringen van O'Neill, die elke avond vastlegde wat hij die dag had meegemaakt.

Suskind heeft ook de beschikking gehad over de 19.000 officiële stukken die O'Neill na zijn aftreden van de hoogste jurist van zijn ministerie meekreeg. Het Witte Huis is deze week na voorpublicaties uit het boek in de tegenaanval gegaan en heeft opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar `mogelijk lekken van geheime informatie'. O'Neill reageert stoïcijns: het was aan de jurist van het ministerie om te zorgen dat hem niets geheims werd gegeven.

Woordvoerders van het Witte Huis voeden de pers in Washington nu met wat in Frankrijk petites phrases heet: gemenigheidjes die de geloofwaardigheid van een tegenstander moeten aantasten, zonder dat iets van belang wordt ontkend of beweerd. Minister van defensie Donald Rumsfeld zei vóór lezing van het boek al dat het beeld van de president dat eruit opdoemt met het zijne verschilt ,,als dag en nacht''. Totnogtoe is geen van de concrete observaties uit het boek weersproken. En dat zijn er genoeg.

The Price of Loyalty is een belangrijk boek omdat het een unieke inkijk geeft in het proces van besluitvorming onder Bush, vooral in economisch-financiële zaken, waar O'Neill over ging. Maar omdat hij ook lid was van de Nationale veiligheidsraad zat O'Neill vanaf de eerste dag bij besprekingen over de nationale veiligheid. Daar hoorde hij hoe president Bush na tien dagen in het Witte Huis vaststelde dat ,,het tijd is dat wij ons terugtrekken uit het Israëlisch-Palestijnse conflict''. Het nieuwe hoofdthema van buitenlands beleid zou Irak worden. Het ging vanaf januari 2001 om `hoe' en `wanneer', niet `of' het tot een afrekening met Saddam zou komen.

Paul O'Neill heeft een ongehoorde daad van ontrouw gepleegd door uit de school te klappen, aldus de presidentiële entourage. Dat werd niet gezegd toen de beroemde Bob Woodward van The Washington Post eind 2002 zijn Bush at War publiceerde. Dat boek deed gedetailleerd verslag van kabinetsbesprekingen in de eerste drie maanden na de aanslagen van 11 september 2001. Het was gebaseerd op gesprekken met de president en topleden van zijn kabinet. Het verschil met O'Neills boek, is dat Woodward een gunstig beeld schetste van een veel daadkrachtiger president dan het publiek kende, zoals een fan van de president deze week behulpzaam uitlegde op CNN.

Uit de school klappen over wat er in het Witte Huis gebeurt, is allerminst nieuw. Tijdens de regering van Bill Clinton gebeurde het na hun vertrek door minister van arbeid Robert Reich (Locked in the Cabinet Room) en door presidentieel duvelstoejager George Staphanopoulos (All Too Human). Ronald Reagans ex-minister van financiën en stafchef Donald Regan deed het in 1988 met For the Record. From Wall Street to Washington, waarin hij onder meer Nancy Reagans hang naar astrologie onthulde.

Het meest voor de hand liggende verwijt van het Witte Huis is dat Paul O'Neill zure druiven serveert na zijn ontslag. Maar uit 328 pagina's Suskind komt O'Neill eerder naar voren als een slimste-van-de-klas-type, een man met een groot analytisch vermogen, die openstaat voor nieuwe realiteiten, getuige zijn aids-reis door Afrika met de zanger Bono van de Ierse band U2. Hij is rechtlijnig loyaal aan het vinden van de beste oplossing in het algemeen belang, niet dat van de regerende groep, en lijkt geen revanchist. Een klassieke Republikein, wars van politieke spelletjes.

In zijn jonge dagen werkte O'Neill onder president Nixon bij begrotingszaken. In die dagen smeedde hij een nauwe vriendschap met Alan Greenspan, de huidige president van het centrale banksysteem van de Verenigde Staten. Het was een telefoontje van Greenspan dat O'Neill overhaalde naar Washington terug te komen. Vice-president Dick Cheney was ook een oude vriend uit die tijd. Hem leert O'Neill gaandeweg kennen in een ideologische, of in elk geval vooral op macht gerichte rol, die hem sprakeloos achterlaat.

Tijdens hun wekelijkse ontbijt spreken O'Neill en Greenspan al snel een strategie af om de drift tot belastingverlaging van Bush te matigen. Hun analyse is dat de economie het niet nodig heeft, en dat door de manier waarop de maatregelen in het vat zijn gegoten, de belastingverlaging ook nauwelijks stimulerend effect heeft op de Amerikaanse economie. De verlagingen (die zij als onafwendbaar beschouwen) moesten worden gebonden aan triggers: ze zouden alleen doorgaan voorzover de ontwikkeling van de begroting het toeliet.

Het plan faalt jammerlijk. O'Neill schetst via Suskind tot twee keer toe op welke chaotische en ongeïnformeerde gronden tot ingrijpende belastingverlaging wordt besloten. De deskundigheid in het debat doet hem denken aan `een zwerm muggen boven een meer in juni'. De eerste keer wordt voor 1300 miljard dollar over tien jaar weggegeven, terwijl het van Clinton geërfde begrotingsoverschot snel wegsmelt. Een jonge medewerker van de begrotingsafdeling maakt een rekenfout van 700 miljard. Geen bezwaar, dat vergemakkelijkt de verdediging van de al vastgestelde koers, die overigens is gebaseerd op een campagneplan uit 1999, toen de economie er veel rooskleuriger uitzag.

Toen de tweede tranche van de belastingverlaging eind 2002 op tafel lag, met afschaffing van de belasting op dividend, vroeg de president: ,,Hebben we de hoogste inkomens de vorige keer niet al bediend?'' Waarop zijn belangrijkste politiek adviseur Karl Rove hem corrigeert: ,,Laten we bij principes blijven en niet gaan aarzelen.'' Maar de onbeheersbare tekorten dan, werpt O'Neill nog tegen. Vice-president Cheney kapt hem af: ,,Reagan heeft laten zien dat tekorten er niet toe doen.'' O'Neills pet zakt af: het heeft twintig jaar gekost om die tekorten weg te werken. Cheney rondt af: ,,Bovendien, wij hebben de tussentijdse verkiezingen gewonnen. We hebben hier recht op.''

Alan Greenspan zegt zijn vriend O'Neill onder vier ogen dat de grote belastingverlaging van Bush ,,zonder remmende voorwaarden onverantwoordelijke fiscale politiek'' is. Hij is ervan overtuigd dat iedereen dat inzicht op langere termijn zal delen. De president van de Federal Reserve Board heeft in het openbaar nog nooit zo hard geoordeeld over het belangrijkste binnenlandse element van het gevoerde beleid (en hij heeft deze week geen in het boek geciteerd woord ontkend).

De minister van Financiën droeg uit gewoonte de meest actuele feiten en cijfers aan ten bate van afgewogen beslissingen. Economisch adviseur Larry Lindsey, politiek meesterbrein Karl Rove en presentatiewonder Karen Hughes keken hem vaak aan alsof hij van Mars kwam. O'Neill: `Zomer 2001 hadden Rove en Hughes door dat ik geen halve waarheden vertel om een politiek punt te scoren of de achterban te behagen'. Hij wordt als oncontroleerbare lastpost gezien, bijvoorbeeld in zijn verzet tegen importtarieven op staal. Het populairste argument dat hij hoort luidt: `de baas is er vóór en wie heeft er sowieso de ballen verstand van?'. Suskind schrijft: `Voor O'Neill was het alsof hij er achter kwam dat hij moerasland in Florida had gekocht'.

Paul O'Neill had wel medestanders in het kabinet. Twee om precies te zijn. De een is bekender dan de andere. Hij beschijft Colin Powell (`Balloonfoot' voor de president) als degene die van de eerste dag rust en ratio in het buitenlands politieke denken heeft trachten te brengen. Hij waarschuwde tijdens de eerste bijeenkomst van de Nationale Veiligheidraad dat het loslaten van het Midden-Oosten-conflict de Israëlische premier Sharon een vrijbrief zou geven die alleen maar meer Palestijns verzet en bloedvergieten zou veroorzaken. Dat is meer dan uitgekomen, constateert O'Neill, die niet speculeert over de vraag waarom Powell nog op zijn post zit.

Zijn andere geestverwant was Christie Todd-Whitman, minister van milieuzaken, die de wereld maandenlang uitlegde dat de milieuvriendelijke uitspraken die de kandidaat Bush deed tijdens de verkiezingscampagne, echt handen en voeten zouden krijgen. Tot president Bush haar meedeelde dat hij `Kyoto' liet vallen zonder dat zij haar argumenten ooit had kunnen uiteenzetten.

O'Neill had van de president al vroeg het verzoek gekregen om een milieuadvies. Kennelijk hoopte Bush toen nog van de oud-baas van Alcoa te krijgen waar hij naar op zoek was: een strategie die het uitgangspunt om broeikasgassen te verminderen door wettelijke bepalingen verving door iets vrijwilligs voor het bedrijfsleven. O'Neill werkte samen met Whitman om binnen de vage instructies van de president een zinnig beleid te ontwerpen.

Tot Bush de stop uit het bad trok. De woordvoerder van het Witte Huis vertelde die middag dat ,,na een grondig beraad binnen het kabinet'' was besloten tot de nieuwe koers. Toen Whitman verbijsterd het Oval Office uitstommelde, zag zij een secretaresse een brief van de president aan vice-president Cheney geven waarmee hij anti-Kyoto-senatoren ging geruststellen. In een flits zag zij wie er echt aan de knoppen zat.

De mate van detail van deze episode suggereert dat Suskind ook sprak met Whitman, die de regering mei 2003 verliet. Zij noemde wat er gebeurd was die dag `een slachting' van het milieubeleid. Toen ik haar niet lang na de beslissing vroeg of zij zich op dat moment niet afvroeg wat zij nog deed in de regering, antwoordde zij: ,,Dat moment maakte duidelijk dat er nog veel werk voor mij te doen was.'' Een uiterst loyale samenvatting. Het boek van Suskind komt waarschijnlijk dichter bij de werkelijkheid.

Deze en andere ervaringen leerden O'Neill dat hij, Whitman en Powell dienden als `dekmantel'. Hij concludeert: `Het werd mij duidelijk dat onze aanwezigheid de mensen moest overtuigen dat dit een regering was die hard zou zoeken naar de beste oplossingen, los van de vraag welke partij een bepaald idee het eerst had geopperd.' Een naïeve veronderstelling, merkte hij.

In de storm van verdachtmakingen van deze week heeft O'Neill gezegd dat hij de president niets lelijks wil nawerpen. Hij zal in november waarschijnlijk op hem stemmen. De typering dat de president is `als een blinde in een kamer vol doven', had hij beter voor zich kunnen houden, zei hij dinsdag. Maar O'Neill heeft niets teruggenomen van de vele voorbeelden die zijn verbijstering schetsen over een president zonder nieuwsgierigheid naar de feiten.

Zo blijft ook zijn indruk te boek staan dat Bush bij belangrijke besprekingen de stukken niet heeft gelezen `zelfs de memo's niet'. En de constatering dat de redeneertrant bij twee hoofdzaken (Irak en belastingverlaging) `puur ideologisch en niet vatbaar voor feiten' is. Ook blijft zijn verbazing over de president na de oorlogsverklaring tegen Saddam: `Met dit niveau van expertise zou ik deze mate van overtuiging niet kunnen opbrengen'.

Dit is niet het boek van een verzuurd man. Paul O'Neill had alles al bereikt in zijn leven, hij wilde helemaal geen minister worden. Zijn vrouw raadde het hem af. Hij ging uit plichtsbesef, omdat hij problemen als de naderende pensioencrisis wilde helpen oplossen. Gaandeweg voelde hij zich `in een boot met twintig mensen die allemaal dezelfde kant op roeien, behalve ik'.

Hij werd overboord gezet door een gedreven praetoriaanse garde, die hem vanaf het begin zijn politieke onhandigheid had ingewreven. Maar het laten zakken van de dollar is nu regeringsbeleid, al mocht hij dat toen niet zeggen. En de staaltarieven zijn afgeschaft nadat ze geen baan hadden gered. De lagerebelastingen hebben misschien economisch wat groei en hogere beurskoersen gebracht, maar geen baan opgeleverd. O'Neills vermeende `blunders' waren dus niet allemaal even stom.

De oud-minister wist wat hem te wachten stond van de Bushies na het helpen schrijven van dit boek: ,,Ze zijn gemeen en hebben een enorm geheugen.'' Maar zijn geloof in transparantie, het repareren van een `ontspoord politiek systeem' won het van de angst voor vergelding. ,,Ik ben een oude kerel, ik ben rijk, wat kunnen ze me maken?''

Ron Suskind: The Price of Loyalty. George W. Bush, the White House and the Education of Paul O'Neill.

Simon and Schuster, 368 blz. €26,56