Gauw naar de maan

Met de roman Maanvuur sluit Graa Boomsma (1953) zijn in 1999 met Laagland begonnen trilogie over de jaren zestig af. Laagland, over de broers Dré en Gerard Volleman en hun door het verlies van Gerards tweelingbroertje psychisch verminkte Waalse moeder Marguerite Salterre, speelde in 1963 in een niet met name genoemd Noord-Hollands kustdorp. Dré, net teruggekeerd van een traumatisch verblijf als dienstplichtige in Nieuw-Guinea, was toen 24, Gerard tien jaar jonger. De `echte jaren zestig', die een generatiekloof tussen de twee broers zouden blootleggen, moesten nog beginnen. Laagland, een filosofisch boek vol familiegeheimen en dorpse benauwenis, verwierf terecht een plaats op de longlist van de Libris literatuurprijs

Het lijvige tweede deel Stadsvlucht gaf een te clichématig beeld van het Amsterdamse `revolutiejaar' 1966 om een diepe indruk na te laten. Gerard wordt een soort hippie, zijn kop vol met songteksten en geestverruimende middelen, die zich laat afkeuren voor militaire dienst, maar wel meedoet aan de verstoring van het huwelijk van Beatrix en Claus. Dré houdt zich verre van zowel het ludieke als het politieke protest. Hij studeert natuurkunde aan de VU en trouwt met Jeannette die hij bedriegt met de hoer Laos. In Maanvuur, dat weer drie jaar later speelt, keren beide broers onafhankelijk van elkaar terug naar hun dorp – en wel in het weekend van 19 en 20 juli 1969 als de halve wereld aan de buis gekluisterd zit om de landing van de eerste mens op de maan te volgen.

Dré, met een aanstelling als wetenschappelijk medewerker aan de VU op zak, wordt naar het dorp geroepen door de eeuwig dronken, al in eerdere delen figurerende, amateur-filosoof bakker Knor. Via hem verneemt Dré dat zijn moeder er eindelijk in geslaagd is zelfmoord te plegen. Alleen het hoe en waarom blijven vooralsnog in nevelen gehuld. Op basis van orakelspreuken van Knor en diens geestelijk gehandicapte minnares Marietje moet Dré erachter zien te komen waar het lichaam van zijn moeder zich bevindt. Die zoektocht en de enigszins perverse uitkomst ervan verlenen de roman de nodige spanning, maar het verhaal over de geschiedenis van de familie Volleman, verteld in het weekend van de maanlanding, lijkt toch vooral bedoeld als kapstok voor Boomsma om er zijn theorieën over tijd en tijdsbeleving aan op te hangen.

Sleutelwoord is het begrip `ontsnappingssnelheid'. Hoe snel je ook gaat (de Amerikaanse astronauten in hun Apollo, Dré op zijn motor, Gerard met behulp van hasj), aan zijn verleden op het ondermaanse ontsnapt niemand en uiteindelijk gaat iedereen in figuurlijke zin naar de maan. (De stervende bakker Knor tot Dré: `Ik ga naar de maan, al heel gauw, zoveel is zeker.')

Deze samenvatting is een simplificatie van het gecompliceerde ideeënbouwwerk dat Boomsma construeert, maar in zekere zin nodigt hij tot zulke simplificaties uit. Te veel wat tot nadenken aanzet in deze meerstemmig vertelde moderne mythe, wordt met behulp van flauwe woordspelingen of al te expliciete verwijzingen naar popsongs, bijbelteksten en andere wereldliteratuur uitgelegd. `Zwart gat' heet het tweede hoofdstuk waarin Dré laat weten dat zijn dorp `een gat' is. Vervolgens krijgen we talloze gapende en andere gaten voorgeschoteld. Verwijzingen naar de maan zijn nog talrijker en zoutelozer, om over die met betrekking tot `zout' maar te zwijgen.

Op het moment dat bakker Knor naar aanleiding van de naam van Dré's moeder, Madame Salterre, naar Mattheus verwijst, waarmee Boomsma niet alleen de ontknoping verraadt maar ook een panklare interpretatie van zijn verhaal levert, was voor mij de lol eraf. Gij zijt het zout der aarde en het licht der wereld, zegt Jezus in dit bijbelboek tot zijn discipelen. Des te belangrijker dat zij niet in conflict komen met hun aard, waardoor ze zoutloos zouden worden of een licht geplaatst onder een korenmaat. Dit laatste lijkt ondanks zijn vakmanschap van toepassing op Graa Boomsma, wiens zo krachtig begonnen trilogie met Maanvuur als een nachtkaars uitgaat.

Graa Boomsma: Maanvuur. Prometheus, 227 blz. €19,95