De stad van glas

Het aantal kassen mag groeien, ook in het westen van het land, zei minister Dekker vorige week. Vernieuwingen in de techniek kunnen de monocultuur van `het glas' doorbreken en kassen met wonen, water en natuur combineren.

De glastuinbouw in Nederland is net zoiets als Schiphol: economisch een zegen, planologisch een last. Als een hete aardappel worden de kassen over het land geschoven, want ze nemen veel ruimte in, ook 's nachts met hun aureool van groeilicht. Sinds vorige week staat vast dat er nog meer kassen komen op nog meer plaatsen in Nederland, want met de sector gaat het goed. Die wil uitbreiden en dat vindt VVD-minister Dekker van VROM prima, liet ze vorige week weten – op voorwaarde dat de bedrijven zich aan de afgesproken milieu- en energienormen houden.

Een wandeling tussen de kassen van het Westland is voor de buitenstaander een bevreemdende ervaring. De straten zijn er tot smalle paden gereduceerd die geen bochten maken maar haakse hoeken slaan, langs de massieve maar uitdrukkingsloze volumes van de kassen die bij elkaar een gesloten circuit lijken te vormen, als de wegen door een labyrint. Vanuit de lucht bieden ze echter een vertrouwde aanblik: je krijgt een gevoel van thuiskomen als je in de diepte de fijnmazige verkaveling van land en water ziet en de blikkering van de glazen daken, die in totaal meer dan 10.000 hectare bedekken.

Sinds het uitvinden van deze teelttechniek in de negentiende eeuw is `het glas' geconcentreerd in het Westland (het gebied tussen Rotterdam, Delft en Den Haag) en in Aalsmeer, bij Schiphol. Dat gaat de komende jaren veranderen, want de glastuinbouw ondergaat een herstructurering. Dat houdt aan de ene kant in dat de glazen steden kleiner zullen worden: de 4.000 hectare glas in het Westland bijvoorbeeld moet in 2010 met 700 hectare zijn verminderd. Die ruimte is nodig voor woningbouw, waterberging, infrastructuur en recreatie, en bestaande bedrijven kunnen er niet uitbreiden. Aan de andere kant zijn er tien locaties aangewezen voor 2.500 hectare glas, letterlijk over het hele land verspreid: Gelderland, Drenthe, Overijssel, Friesland, Limburg, Noord-Holland, Flevoland, Noord-Brabant, Zeeland en Zuid-Holland. Het ministerie van Landbouw heeft in 2002 voor de ontwikkeling van deze locaties 20 miljoen euro toegezegd.

Het vlot alleen niet erg met de herstructurering. Voor de tuinders in het westen is het geen eenvoudige beslissing om te verkassen. De buitengebieden bieden weliswaar voordelen als goedkope grond, een minder overspannen arbeidsmarkt en de mogelijkheid nieuwe, en meer, kassen neer te zetten, maar in het westen zitten ze midden in het dichtgeweven netwerk van kennis, transport, afzet en toeleveranciers. Alle betrokkenen, ook de Stichting Natuur en Milieu, zijn het erover eens dat de herstructurering goed zal zijn voor het milieu, doordat de energie- en watervoorzieningen efficiënter kunnen worden. Maar om die schaalvoordelen binnen te halen moet een nieuw gebied in één keer in zijn geheel worden bestemd en ingericht, en dat komt moeizaam van de grond.

Het voorbeeld bij uitstek van moeizame politieke en planologische besluitvorming is de Zuid-Hollandse Zuidplaspolder, in de driehoek tussen Rotterdam, Zoetermeer en Gouda. De ministeries van Landbouw en VROM en de Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO) Nederland hadden afgesproken dat hier behalve woningen en bedrijventerreinen ook een uitbreiding van de glastuinbouw met 200 hectare zou komen. Totdat het nieuwe college van gedeputeerden bij zijn aantreden vorig jaar besloot toch maar weer een eerder alternatief in de Hoekse Waard mee te laten wegen. Tumult in de tuinbouw én de politiek. LTO heeft bij minister Veerman en de provincie Zuid-Holland erop aangedrongen, vaart te maken met de beslissing. ,,Ik maak de sector nooit anders mee dan ongeduldig', zegt de Zuid-Hollandse gedeputeerde voor landbouw, CDA'er Leen van der Sar. Voor de zomer zal de zaak rond zijn, belooft hij.

Er zitten ook sociale aspecten aan de herstructurering. Dat merkten de gebroeders Theo en Arjan van der Kaaij toen zij drie jaar geleden het familiebedrijf in De Lier in het Westland verkochten om naar het Friese Berlikum te verhuizen. Daar produceert het bedrijf twee miljoen kilo trostomaten per jaar. ,,In het begin leid je nog een soort sociaal dubbelleven', zegt Theo, ,,maar we hebben veel contacten moeten afstrepen, dat hou je niet vol.' Wel zijn de broers blij dat hun vader nu ook in het noorden is komen wonen. Van de tien glastuinbouwers in Berlikum komen inmiddels vijf van elders in het land. Bedrijfseconomisch was de verhuizing in ieder geval een goede stap, vindt Van der Kaaij. ,,We hadden 1,5 hectare aan kassen, hier 3,5 en we kunnen groeien naar 10. Bovendien is de grond goedkoper en komen we makkelijker aan personeel dan in het westen.' Dat ze verder weg zitten van het transportnetwerk in het westen, maakt niet zo veel uit: Van der Kaaij levert tegenwoordig aan een handelsfirma dat het leeuwendeel van de tomaten naar Zweden brengt. En het oude bedrijf in De Lier? ,,De gemeente heeft de grond gekocht om er een industrieterrein aan te leggen.'

Wordt er over de intensieve veeteelt in varkensflats nog lacherig gedaan, de glastuinbouw maakt serieus werk van het zoeken naar manieren om ruimte te besparen, functies te combineren, en het landschap minder te ontsieren. In Bleiswijk, een concentratie van glastuinbouw in de buurt van Rotterdam, wordt dit jaar begonnen met het GlasKasTeel, kenniscentrum voor de glastuinbouw, met kassen op het dak en binnen laboratoria, kantoren, bedrijfsruimten, een auditorium, congres- en horecaruimte, woningen voor een aantal van de tweeduizend werknemers en een ondergrondse waterberging. Voor de Kas van de Toekomst op de laatste Floriade lieten diverse ontwerpbureaus hun gedachten gaan over het integreren van de glastuinbouw met onder andere woningen. Anderen denken aan stapelen in de hoogte – zie de varkensflats – of in de diepte, dus ondergronds, en aan de bouw van kelders in twee lagen voor het gietwater en het oppervlaktewater – wat landschapsschoon betreft een betere oplossing dan de bekende lelijke bassins van zwart landbouwplastic.

Ook bedrijven uit andere sectoren zijn aan het denken gezet door de vernieuwingen in de kastechniek. Met de kassenbouw is volgens de internetsite Agriholland tussen de 150 en 200 miljoen euro per jaar gemoeid. Zo heeft projectontwikkelaar Dura Vermeer een drijvende kas ontworpen. Stafdirecteur business development Chris Zevenbergen somt de voordelen op: ,,Je bespaart niet alleen ruimte, maar ook tot aan 40 procent van je energie door de kas met datzelfde water te koelen, en je hebt geen last van de waterstand na een flinke regenbui.' Juist in het Westland zou de drijvende kas volgens hem een uitkomst zijn: de behoefte aan ruimte voor waterberging is nou net een van de redenen waarom daar kassen weg moeten. Bovendien is de drijvende kas wel duurder dan een gewone kas, en alleen in gebieden waar grond schaars en dus duur is, zijn die meerkosten terug te verdienen. In Nieuw-Rijsenhout, een nog aan te leggen glastuinbouwgebied in de Haarlemmermeer, wordt dit jaar de haalbaarheid onderzocht, en in Naaldwijk wordt het eerste demonstratiemodel gebouwd. ,,De eerste generatie tuinbouw werkte op vaste grond, de tweede kwam los van de grond en werkt met hydrocultuur', legt hij uit. ,,Het thema van de derde generatie wordt ruimtebesparing. Er is geen sector van de landbouw met zo veel vernieuwingsdrang.'

Hoe groot de invloed van de techniek op de planologie van de glastuinbouw kan zijn, laat de uitvinding van de kas als energiebron zien. Deze kas kan de overtollige warmte van de zomermaanden opslaan en in de winter weer leveren aan `derden', bijvoorbeeld woningen en bedrijven – mits die niet ver weg zijn. 200 hectare aan kassen kan 25.000 woningen verwarmen. Ooit kan het moment komen dat de glazen stad een mensenstad wordt.