Alles geleerd van de zonnefallusman

Om een spannende biografie te kunnen schrijven is bewondering nodig of een niet aflatende drang tot het onthullen van schandalen. De Amerikaanse schrijfster Deirdre Bair, bekend door biografieën van Simone de Beauvoir, Samuel Beckett en Anaïs Nin, koos de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung (1875-1961) om erachter te komen waarom zijn reputatie zo slecht was.

Jung, een tijdgenoot van Freud, geldt als grondlegger van de analytische psychotherapie als alternatief voor de Freudiaanse psychoanalyse. Bij beiden stond de droomduiding centraal, maar Jung vond Freuds benadering te mechanisch en seculier en zocht zelf steeds meer toenadering tot mythologische inzichten en esoterische wijsheid. Mede door diepzinnig klinkende begrippen als `archetype', `anima' en `het collectieve onbewuste' deed Jung het goed bij zoekers naar de menselijke ziel en bij de spiritueel geïnteresseerde jeugd sinds de jaren zestig. De moderne psychiatrie daarentegen beschouwt zijn ideeën hoogstens als curieus en historisch interessant, maar van geen enkel nut voor de dagelijkse praktijk.

Als cultfiguur uit de twintigste eeuw en door zijn negatieve pers heeft Jung altijd een grote aantrekkingskracht gehad voor biografen. Deirdre Bair wil in haar nieuwe biografie vooral weten of de beschuldiging van antisemitisme jegens Jung terecht was, hoe het zat met de driehoeksverhouding van Jung met zijn vrouw Emma en Toni Wolff (die oorsponkelijk zijn patiënte was), en wat er waar was van de verhalen over zijn seksuele relaties met andere vrouwelijke patiënten. Wat het laatste betreft: veel. Bair ontdekte dat Sabina Spielrein, de 18-jarige Russische patiënte die in 1904 in de universiteitskliniek Burghölzli in Zürich werd opgenomen met de diagnose hysterie, lang niet de enige was met wie Jung een seksuele relatie onderhield.

Vóór Bair hebben opvallend veel Britse auteurs zich op Jung gestort, meest recent Frank McLynn in Carl Gustav Jung. A Biography (1996) en Ronald Hayman in A Life of Jung (1999). Op grond van de biografie van McLynn kenschetste de Nederlandse psychoanalyticus A. van Dantzig Jung als slachtoffer van een kindertijd met een psychotische moeder en een gekwelde depressieve vader (Boeken, 13-12-1996). In plaats van zich slachtoffer te voelen wilde Jung in de eerste plaats controle, aldus Van Dantzig. Hayman denkt dat Jung leed aan een borderline-persoonlijkheid.

Bair laat zich niet verleiden tot het stellen van een diagnose. Met succes speurde ze naar nieuwe feiten. Als eerste kon zij gebruik maken van dagboekfragmenten van Jungs patiënten en ze wist veel meer informatie te ontfutselen aan Jungs gewoonlijk nogal terughoudende erfgenamen dan eerdere biografen. Alleen was ze verbaasd dat veel bronnen anoniem wilden blijven. De Amerikaanse schrijfster had in het Zwitserland van nu meer openheid verwacht. Diverse familieleden vertelden haar dat Jung in zijn jeugd seksueel misbruikt was door een vriend van zijn vader. Door de dagboeken van Jungs toenmalige vrouwelijke patiënten raakte Bair bovendien overtuigd van Jungs grenzeloze gedrag in sexualibus.

De schrijfster verbloemt nergens kwalijke feiten, maar blijft tot op de laatste bladzijde genuanceerd, soms tot op het apologetische af. Op grond van nieuwe feiten ontzenuwt ze de veel gehoorde beschuldiging dat Jung het begrip `collectieve onbewuste' gepikt zou hebben van zijn tien jaar jongere collega Johann Jakob Honegger (1885-1911). Toen Jung in 1959 in een interview op de Britse televisie werd gevraagd naar een casus die een keerpunt was geweest in zijn denken, noemde hij de ontdekking van een oeroude laag in de psyche: het collectieve onbewuste. Hij was op dit idee gekomen door het verhaal van de `zonnefallusman'.

Bair belicht deze geschiedenis met groot gevoel voor detail. Als aankomend arts klopte Honegger in 1909 bij Jung aan met de vraag of hij de ziekte dementia praecox – nu bekend als schizofrenie – onder de leden had. Jung stelde hem gerust. Toen Jung in 1909 in Amerika lezingen gaf moest Honegger die in Burghölzli achterbleef, onderzoek doen naar de verwarde hersenspinsels van Emile Schwyzer – later bekend als de `zonnefallusman' – die daar sinds 1901 verbleef. Schwyzer was bij zijn opname bijna veertig jaar. Sinds zijn twintigste leed hij aan stemmen en achtervolgingswanen. Kort nadat hij was ontslagen bij een bank, schoot hij zichzelf een kogel in de linkerkant van zijn hoofd omdat hij zijn ingebeelde stemmen niet langer kon verdragen. In 1906 al had Jung deze casus uiteengezet tijdens een bespreking met zijn chef, professor Bleuler. Jung wilde dat Honegger een proefschrift aan deze patiënt zou wijden. Na Honeggers zelfmoord met morfine op 28 maart 1911 raakte zijn 350 pagina's tellende manuscript zoek. Boze tongen beweren dat Jung hier de hand in had. Pas in 2001 doken de zogenoemde Honegger-papieren op die Bair uitvoerig bestudeerde. Daaruit trekt ze de conclusie dat Honegger door de chaos in zijn hoofd niet in staat was om een begrip als het collectieve onbewuste te bedenken. Het moet dus inderdaad Jungs eigen idee zijn geweest, meent Bair.

Waarom was de patiënt Schwyzer (1862-1931) zo interessant? Schwyzer dacht dat hij God was en dat het zijn plicht was zijn zaad te verspreiden om te voorkomen dat de wereld zou vergaan. Terecht signaleerde Honegger parallellen met de bizarre grootheidswanen van Schreber die deze in Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken (1903) beschreef. Schreber werd beroemd doordat Freud in 1911 een verhandeling over hem schreef, zonder de patiënt overigens zelf te hebben gezien. Schwyzer meende dat hij de zon van een opwaarts gerichte staart kon voorzien. Door zijn ogen halfdicht te knijpen en zijn hoofd heen en weer te bewegen kon hij de reusachtige fallus laten bewegen, waarna er op de aarde wind ontstond. Dit vertelde hij met veel misbaar en fraaie woorden, in een speciale archaïsche taal. De oerbeschrijving van het zonnefallusvisioen komt voor in Eine Mythrasliturgie (1903) van Albrecht Dieterich. Jung bezat van dit boek de tweede druk uit 1910, meldt Bair. Die zal hij dus gelezen hebben. Het is echter onwaarschijnlijk dat Schwyzer of Honegger het boek kende, schrijft Bair.

Schwyzer kon niet logisch denken en communiceerde slechts in taalflarden. Volgens Jung had Schwyzer moeite met concentratie, onthouden en inschatten. Hij kon zijn gedachten niet op een rij krijgen en was volkomen in de ban van zijn wanen en hallucinaties. Naar mijn idee wijst Schwyzers waanidee eerder op de ziekte die psychiaters sinds Bleulers monografie uit 1911 `schizofrenie' noemen dan op het bestaan van het collectief onbewuste.

Exemplarisch voor Bairs genuanceerde aanpak is haar beschrijving van de omstreden kwestie van Jungs voorzitterschap van de internationale vereniging voor medische psychotherapie in Berlijn van 1933 tot 1940. De vereniging stond onder suprematie van Matthias Heinrich Göring, de neef van Hermann Göring. Jung maakte zichzelf wijs dat hij als voorzitter uit een neutraal land zijn Duitse joodse collega's een dienst bewees. Jung liet de joodse advocaat Rosenbaum, die hem had geholpen bij het omzeilen van het uitsluiten van joodse leden uit het verenigingsstatuut, schandelijk in de steek. Bair kwalificeert Jungs handelwijze in het ergste geval als gedraai, maar veel vaker als naïef, ontactisch en onhandig.

Zowel de schrijfster als de vertalers hebben een hels karwei tot stand gebracht. Bair schrijft alsof ze zelf gezien heeft hoe Bleuler de koffers van Jung loopt te sjouwen bij diens aankomst in het ziekenhuis op 10 december 1900. Jung trok in het huis van zijn baas, mondiaal een zeer gerespecteerd psychiater, maar een man die in de ogen van Jung geen enkele uitstraling had. Zelf trouwde hij met de op een na rijkste vrouw van Zwitserland. Emma heeft veel ontrouw moeten verdragen; waarom ze dat pikte blijft gissen.

De schrijfster heeft voor haar onderzoek een tijd in Zürich gewoond. Ze wilde van iedereen het naadje van de kous weten. Haar boek leest nu eens als een roman, dan weer als een naslagwerk; geheel vlekkeloos is het niet. Overleed Schwyzer nu in 1931 of 1937? Nog een voorbeeld: Freud, die Honegger gezien had tijdens diens lezing in Neurenberg in 1910 en onder de indruk was geraakt van diens talent, schreef op 2 april 1911 aan Jung: `Es fällt mir auf, dass wir eigentlich viele Personen verbrauchen' – door Bair vertaald met: `I think we wear out quite a few men', in de Nederlandse vertaling: `Weet je, volgens mij verslijten wij heel wat jongemannen.' Bij de overstelpende hoeveelheid feiten die Bair presenteert neem je zo'n slordigheid graag voor lief.

Deirdre Bair: Jung. A Biography. Little, Brown, 881 blz. €42,60. De Nederlandse vertaling door Bep Fontijn, Peter Nieuwkoop en Willem Visser verscheen deze week bij De Bezige Bij, 932 blz. €54,90