Verbiedt de massa

Professor Maurits Barendregt, hoogleraar aansprakelijkheidsrecht, heeft in het Nederlands Juristenblad (24 oktober 2003) een stelling verdedigd: Breidel de pers: gewone aansprakelijkheid voor gewone bedrijven. Over dezelfde stelling is hij in deze krant tegensprekelijk ondervraagd door hoofdredacteur Folkert Jensma.

Waarom zou je reputatieschade door een perspublicatie niet net zo behandelen als blikschade bij auto's, zonder dat daarbij de vrijheid van meningsuiting echt in gevaar komt, vraagt Barendregt zich in dat gesprek af. `Blikschade', het is een eenvoudig begrip, concreet en algemeen bekend. De vraag van Barendregt lijkt redelijk. Maar het kán erop wijzen dat de heer Barendregt, door de vraag te stellen, zelf impliciet het bewijs levert dat hij het probleem onderschat. Ik druk me behoedzaam uit. We nemen een recent geval.

In Nederlandse stad X raakte onlangs politicus A in gesprek met columniste B. Het werd een geanimeerd samenzijn, waarbij A hoog opgaf van zijn mondaine, soms libertijnse leven. In het vuur van het gesprek bekende hij, dat hij heel soms, in het geheim en minimaal, maar toch niet helemaal in overeenstemming met normen en waarden handelde. Dat was niet verstandig van A. Als man van de wereld, en in publiciteit en politiek gepokt en gemazeld, had hij moeten weten dat hij een zelf uitgelokt risico liep.

De columniste zette zijn confidenties in de krant. Had ze dat mogen doen, schond ze niet het vertrouwen? Of dacht ze dat ze een algemeen belang diende? Of wilde ze gewoon ten koste van A de blits maken? Of twee vliegen in één klap slaan?

Dat weten we nog niet. Maar wel weet iedereen die het Nederlandse openbare leven volgt, wat er toen gebeurde. Verslaggevers belden A en B, columnisten schreven stukjes over hem en haar, honderdduizenden lezers raakten op de hoogte en dachten er het hunne van, schreven brieven naar de krant.

Wat is de conclusie? Dat hier het onbeheersbaar mechanisme van de eigentijdse publiciteit in werking is getreden. A stond daar in eerste aanleg met zijn door hemzelf veroorzaakte blikschade in de berm. Daarna is `de openbaarheid' gekomen, een combinatie van media en publiek, net als bij een gewone botsing. Het verschil is dat een botsing van dit soort niet eindigt. Telkens als de naam van A viel, werd de carrosserie van zijn intussen weerloze reputatie verder gedeukt.

Moet A daarom een advocaat nemen, naar de rechter gaan, een vergoeding eisen voor buitensporige schade? Een verstandige advocaat zal voor de eer bedanken. Tegen zijn cliënt zeggen: niet doen! Want dan blijft de zaak nog langer in `de media'. Nog meer publiciteit: of, zichzelf genererende blikschade.

Daar helpt geen moedertje lief aan, geen advocaat, geen wet. Misschien wordt A voorzichtiger. Maar als het later zo te pas komt, zullen zijn vijanden zeggen: u bent toch die A van dat geanimeerde samenzijn? En zeker zullen er media zijn die van zo'n opmerking dan weer melding maken.

Het bezwaar dat ik tegen de antwoorden van Barendregt op de vragen van Jensma heb, is hetzelfde als wat ik bij het lezen van zijn artikel had. Hij verliest zich in algemene betichtingen en algemene wenselijkheden. `De' media. `De' journalisten die misleidende koppen schrijven boven berichten over `de' politici en anderen. En dan tot besluit de gewone aansprakelijkheid. Is die er dan niet? We hebben toch artikel 7 van de Grondwet met het ,,behoudens ieders aansprakelijkheid voor de wet''?

In uiterste gevallen spreekt Barendregt van `karaktermoord'. Ik ben het met hem eens. Rufmord noemen de Duitsers het, wat nauwkeuriger. Altijd weer is de reputatie in het geding van iemand die hier liefst een `Bekende Nederlander' heet. Die heeft iets gedaan waaraan hij/zij liefst niet herinnerd wil worden. Des te beter! Dat zullen we die BN'er inpeperen. De publiciteit komt in golven, de ene genereert de volgende. Voor mij is dit een van de onsmakelijkste drama's die het publieke leven rijk is. Maar moeten we de media breidelen, dusdanig dat het bij één nieuwsbericht moet blijven? Karaktermoord is een langgerekt en meedogenloos proces. Moeten we een grens aan de berichtgeving stellen? Waar wordt die getrokken? Dat is een onuitvoerbare opgave.

De moderne media hebben de moderne massa gemaakt, en het omgekeerde is ook waar. Deze massa, of we het fijn vinden of niet, beweegt zich in de hier bedoelde gevallen, of `kwesties', met het toevoegsel gate, tussen een bacchanaal van leedvermaak en een corrigerend moralisme. Deze combinatie ontwikkelt zich vanzelf tot een nieuwe gebeurtenis, soms een `pseudo-event', en anders, zoals bij de vorige Amerikaanse president, tot een politiek feit van de eerste orde.

Het is niet mijn liefhebberij, noch die van prof. Barendregt, als ik hem goed begrijp. Maar daarmee gaat dit alles niet weg. Het zit in de aard van onze democratisch genoemde massapubliciteit ingebakken. Alleen door een hermetische dictatuur te vestigen raak je er vanaf.

En dan nog iets. Heel veel bekende mensen delen één eigenschap: ze willen bekend blijven of liever nog bekender worden. Ook dat hoort tot onze massacultuur. Soms kunnen de bekende mensen zich de daarin gespecialiseerde media niet van het lijf houden, maar vaak ook is het omgekeerd: moet de journalist bestand zijn tegen allerlei betuigingen van gelegenheidsvriendschap of ook regelrechte pogingen tot omkoping? Niets nieuws. Lees van Max Weber Politik als Beruf (1919) er op na. Hoeveel van ons daar min of meer voor zwichten, zal nooit bekend worden. Tegen corruptie zijn wetten; nieuwe hebben we niet nodig.

Er is meer in de eenvoud van Barendregts visie dat om tegenspraak vraagt. Zijn verklaring van de `achterkamertjespolitiek' bijvoorbeeld. Maar dan wordt dit stukje te lang.

Breidel de pers? Of hervorm de cultuur waarin publieke aandacht, hoe dan ook, op welke manier bereikt, een zo beslissende rol kan spelen. Andy Warhol heeft de grondwet van deze cultuur geschreven. Iedereen heeft het recht om vijftien minuten wereldberoemd te zijn.

De veel gemaakte vergissing is dat je de aandacht à la carte bij `de media' kunt bestellen.