Scholen kunnen geweld weren

Om geweld op scholen tegen te gaan, moet aan negen voorwaarden worden voldaan. Gebeurt dat niet, dan blijft het dweilen met de kraan open, meent Bob van der Meer.

Om geweld op en buiten school effectief aan te pakken, dient aan negen voorwaarden te worden voldaan.

1. Men moet beschikken over een verklaringsmodel van geweld, in termen van oorzaken, gevolgen en mogelijke curatieve en preventieve oplossingen. Zonder over een dergelijk model te beschikken wordt vaak begonnen met allerlei activiteiten en projecten die weinig of geen verband met elkaar, maar ook geen effect hebben.

2. Geweld dient structureel en niet via ad hoc-maatregelen of een incidentenbeleid te worden aangepakt.

Scholen hanteren namelijk, evenals politici of klussers in huis, exact dezelfde en uiterst menselijke probleemoplossingsstrategie. Eerst wordt het probleem ontkend. Kan het niet meer ontkend worden – een leerling bedreigt een andere leerling met een pistool – dan wordt ad hoc iets gedaan: men schorst of verwijdert deze leerling. Daarna worden – soms noodzakelijke – noodverbanden aangelegd: camera's worden geïnstalleerd, hekken of poortjes geplaatst. Als ook dit niet helpt, gaat men over op een onvolledige analyse van het probleem. Uit alle mogelijke oorzaken selecteert men er één, zet er een plan op en voert het uit. Als ook dit niet de oplossing blijkt te zijn, volgt berusting: geweld is klaarblijkelijk onoplosbaar.

3. Het is noodzakelijk weet te hebben van de wetmatigheden die bij geweld optreden. Een van deze wetmatigheden is ,,de samenzwering om te zwijgen''. Hieronder wordt verstaan dat (bijna) iedereen in een klas of groep leerlingen weet dat geweld wordt gebruikt, dat klasgenoten crimineel gedrag vertonen, wapens of drugs verhandelen of bij zich hebben, maar dit aan niemand vertellen, bang als ze zijn om beschuldigd te worden van klikgedrag en hiervoor gestraft te worden. Deze wetmatigheid kan doorbroken worden door aan leerlingen, al op zeer jonge leeftijd, duidelijk te maken dat niemand mag klikken, maar dat als geweld wordt gebruikt en je weet hebt van crimineel gedrag, je het recht én de plicht hebt dit aan je ouder, je leerkracht of aan de vertrouwenspersoon te vertellen en dat dit geen klikken is.

4. Leerlingen die de door de school of door de leerlingen zelf vastgestelde regels voortdurend blijven overtreden moet (al dan niet verplichte) hulp geboden worden.

5. Om aan de vierde voorwaarde te voldoen, moet men beschikken over een sociale kaart en een hulpverleningsnetwerk. Een sociale kaart is een overzicht van de adressen, telefoonnummers en contactpersonen van alle mogelijke organisaties en instanties die hulp kunen geven bij alle mogelijke problemen. Het hulpverleningsnetwerk daarentegen is het door de school ingestelde netwerk van deskundigen op wie persoonlijk een beroep kan worden gedaan wanneer zich problemen voordoen en waarbij men er zeker van kan zijn dat daadwerkelijk (directe) hulp wordt geboden.

6. Er moeten calamiteiten en klachtroutes en -procedures vastgesteld worden. Deze moeten ter goedkeuring worden voorgelegd aan alle schoolgeledingen en, eenmaal aanvaard, als beleid worden vastgelegd en consequent worden uitgevoerd.

7. Scholen moeten beschikken over signaleringsmogelijkheden van geweld. Geweld, voornamelijk het psychische en seksuele geweld tussen leerlingen, speelt zich af in het verborgene of in één-op-één-situaties en is een onderwerp waarover door het slachtoffer noch door de dader of pleger wordt gesproken. Soms zet de dader het slachtoffer hierbij onder druk om aan niemand het geheim te vertellen. Omdat dit een uiterst ongunstige psychische belasting voor het slachtoffer betekent, is het noodzakelijk om over signaleringsmogelijkheden te beschikken.

8. Scholen moeten een beleid van aanpak van geweld formuleren, dit ter goedkeuring voorleggen aan alle schoolgeledingen en, eenmaal aanvaard, vastleggen en, zonder aanziens des persoon, consequent uitvoeren.

9. Er moeten zogeheten schooloverstijgende activiteiten worden geïnitieerd door beleidsverantwoordelijken van ministeries, provincies en gemeenten. Hierbij wordt gedacht aan een betere samenwerking tussen de verschillende ministeries die zich met geweld bezighouden of aan de oprichting van één ministerie; een betere organisatie van de externe ondersteuningsinstellingen, zoals politie, Jeugdzorg, schoolartsendiensten, leerplichtambtenaar en het instellen van een centraal meldpunt van geweld.

Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, zullen de nu – veelvuldig – optredende gewelddaden binnen en buiten de school échte incidenten zijn. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, blijft het dweilen met de kraan open en zullen we keer op keer door het geweld overweldigd worden.

Drs. B. van der Meer is verbonden aan het Expertisecentrum voor Veiligheid in Rosmalen.