Rookgordijnen op de werkvloer

Waarom spreken veel werknemers nauwelijks meer normaal Nederlands? Werknemers hebben het over `business-solutions' in plaats van oplossingen en doelen zijn `targets' geworden. De toenemende globalisering en abstractie van producten zijn daar debet aan, volgens taalkundigen. Maar belangrijker is dat mensen vage woorden gebruiken om hun onzekerheid te verbloemen. ,,Opblaastaal is het taalkundige uniform van de werkvloer.''

`Op basis van het rapport dat eind 2003 is verschenen over de vorderingen van zorgverzekeraars zal een programma van `deregulering en instrumentering zorgverzekeraars' verder worden ingevuld. Daarnaast geeft de projectgroep invulling aan de eigen informatievoorziening vanuit het ministerie. Vanuit het concept van zelfsturende teams moeten de medewerkers zelf handen en voeten geven aan de door hen aangedragen doelstellingen en actiepunten.'

Hallo lezer, bent u daar nog? Of bent u al op zoek gegaan naar een leesbaarder stuk op deze pagina? Dat zou wel voor u pleiten, want als u in bovenstaande alinea niets is opgevallen, betekent dat dat u zo gewend bent geraakt aan de opblaastaal van bedrijfsleven en overheid dat u niet eens meer merkt dat er louter holle woorden staan.

Het citaat is afkomstig uit het recent verschenen boekje De Zwarte Woordenlijst, lexicon van modern taalmisbruik van Eric Tiggeler en Mieke Vuijk. Tiggeler is hoofd van de afdeling Tekstschrijven van het Taalcentrum-VU en redigeert teksten voor bedrijven en overheden, Vuijk is eigenaar van een tekstbureau en net als Tiggeler redactielid van Vakblad Taal. Beide taalkundigen ergerden zich groen en geel aan het jargon van bedrijven en ambtenaren: `focussen op de implementatieslag', `business-solu-tions' en organisaties die zich `terugtrekken op hun kernactiviteiten', ze kijken er niet meer van op. ,,Er komen soms teksten voorbij waarbij je met je ogen zit te knipperen en ook niet meer weet wat je daar nog van kunt maken'', vertelt Tiggeler. ,,Vooral in beleidsteksten lijkt het belangrijkste doel om de boodschap zo vaag en multi-interpretabel mogelijk te formuleren. Als redacteur kun je die omzichtig geformuleerde compromissen niet omzetten in keiharde beweringen, want die vaagheid is vaak strategisch: je kunt er alle kanten mee op.''

Tiggeler en Vuijk besloten om de door hen verzamelde `opblaastaal' te bundelen. Het boek bevat woorden als `insteek', `account (,,kan van alles zijn: klant, opdracht, klusje''), `bottom line' (,,kern, maar ook netto-bedrijfsresultaat'') en `slag' (,,ook: dubbelslag, vertaalslag, inhaalslag, professionaliseringsslag''). ,,We geven geen keihard oordeel, maar willen de taalgebruiker wel een spiegel voorhouden'', aldus Tiggeler.

Hij onderscheidt diverse categorieën opblaastaal. Ten eerste zijn Engelse woorden zeer populair. Medewerkers zijn `professionals' geworden, doelen `targets' en de chef heeft al jaren geleden plaatsgemaakt voor de `manager'. Verkoopmedewerkers zijn vervangen door `accountmanagers' of `sales executives'. Het gebruik van Engelse woorden heeft geleid tot neder-Engels als `een match maken' en `zich committen aan'.

Ook abstracte woorden doen het goed: `iets terugkoppelen', `een voorstel doorpakken' (een daadkrachtige vorm van oppakken) of `iets doorcommuniceren naar het MT'. Net als clichés (`Wij zijn een snelgroeiende, dynamische organisatie die alert inspeelt op marktontwikkelingen') en eufemismen, waarbij een verkoper een adviseur wordt, en bedrijf en klant `partners' zijn.

Tiggeler: ,,Neologismen zijn van alle tijden, maar nog nooit waren ze zo vaag. Je ziet nergens meer zwart op wit staan dat de één geld wil verdienen en de ander zo min mogelijk wil uitgeven. Opblaaswoorden hebben gemeen dat ze breed inzetbaar zijn, vaag en veelomvattend. Het zijn rookgordijnen: ze verhullen waar het werkelijk om gaat en suggereren tegelijkertijd deskundigheid.''

De `rituele communicatiedans' op de werkvloer, zoals Tiggeler en Vuijk de opblaastaal ook wel noemen, heeft verschillende oorzaken. De globalisering van het bedrijfsleven speelt een rol, net als de steeds belangrijker dienstensector die abstracte producten verkoopt en daar abstracte termen voor hanteert als `business-solutions', `skills', `resources', `infrastructuur' en `back-office'.

Maar de belangrijkste reden is onzekerheid, meent Tiggeler. ,,Mensen bouwen torens van woorden om zich heen om indrukwekkend te lijken. Opblaastaal is het taalkundige uniform van de werkvloer. Men praat zo omdat iedereen zo praat. Velen zijn er zo aan gewend dat ze niet eens meer horen hoe raar woorden als `go', `approach' en `accommoderen' zijn. Mensen die nieuw zijn in een organisatie begrijpen aanvankelijk niets van dat jargon, maar passen zich aan omdat ze niet `anders' willen zijn. Het wordt een code waarmee je je handhaaft en waaraan je zelfvertrouwen ontleent. Het is de heersende taalcultuur in een bedrijf en mensen snappen elkaar. Of denken dat ze elkaar snappen.''

Ook Ton den Boon, hoofdredacteur van de Grote Van Dale, voert een sociologische verklaring aan voor het veelvuldig gebruik van jargon bij bedrijven en overheden. ,,De verspreiding van jargon is sneller gegaan sinds de hiërarchie in organisaties minder sterk is geworden. Vroeger had je bazen en arbeiders, die onderling nauwelijks contact hadden. Tegenwoordig zijn er meer bestuurlijke lagen, die veel overleg voeren waardoor jargon snel doorsijpelt. Het wegvallen van de hiërarchie zorgt ervoor dat we ons op een andere manier sterk willen maken: kennis ten toon spreiden door taal. Daar horen bijvoorbeeld managementtheorieën bij. Elke managementgoeroe die van zich wil doen spreken, introduceert nieuwe termen en die nemen we over om te laten zien dat we `niet van de straat zijn'. Daarmee verwerf je aanzien en macht.''

Het belangrijkste doel van managementjargon is niet kennisverspreiding, maar groepsvorming, stelt Den Boon, die verschillende boeken schreef over taalgebruik in het zakenleven. ,,Je laat weten dat je een ingewijde bent. Door middel van jargon bevestigt een sociale groep zichzelf. Eigenlijk is het net zoiets als studenten- of jongerentaal.''

Het feit dat we privé meer bezig zijn met zakelijke onderwerpen als pensioen en beleggen draagt eveneens bij aan de verspreiding van jargon, volgens Den Boon. ,,Mensen zijn tegenwoordig beter geschoold, ze lezen kranten, ze weten van alles wat, ook van zakelijke kwesties, en als ze hun kennis daarover etaleren, doen ze alsof ze gepokt en gemazeld zijn in de materie door het jargon van de echte kenners te imiteren.''Overigens komt opblaastaal niet alleen in grotere bedrijven en organisaties voor. Ook de middenstander en het eenmansbedrijf maken zich er schuldig aan. Zo valt in de brochure van de autodealer om de hoek te lezen dat het garagebedrijf `mobiliteitsoplossingen' biedt. Tiggeler vertaalt: ,,Hij bedoelt dat hij Volvo's verkoopt, maar ook een gastank of een alarminstallatie kan inbouwen.'' En wat te denken van een uitzendbureau dat onlangs in een persbericht meldde dat ,,opdrachtgevers kunnen [...] rekenen op slagvaardige marketing services medewerkers, projectmanagers, traffic medewerkers, office managers, content medewerkers (internet), management assistenten, event coördinators, Account Assistenten en Account Executives tegen een interessante tariefstelling''? En mocht u nu nóg niet gevallen zijn voor deze wervende tekst: het bedrijf ,,heeft een goed georganiseerde backoffice en neemt genoegen met een lagere fee [...]. En dat terwijl onze kandidaten een marktconform salaris genieten.''

Dat opblaastaal weinig effectief is en weinig betekenis heeft, blijkt wel uit het feit dat de `mission statements' van veel bedrijven inwisselbaar zijn door de identieke terminologie. In dergelijke teksten kun je hele zinsdelen omdraaien zonder dat het iemand opvalt, stelt Eric Tiggeler. Wie merkt het verschil tussen `de proactieve optimalisering van de kernprocessen is gericht op een slagvaardiger implementatietraject' en `de slagvaardiger, proactieve implementatie van de processen is gericht op optimalisering van het kerntraject'?

Efficiënt is jargon niet, vindt ook Den Boon, ,,in tegenstelling tot vaktaal''. Al gaan mensen met hetzelfde jargon elkaar na verloop van tijd wel begrijpen doordat ze woorden vaak in dezelfde context horen. ,,Maar kennelijk is groepsvorming, het zeker stellen van de eigen positie en het uitsluiten van anderen belangrijker dan een goed begrip.'' Die motieven zijn zelfs zo belangrijk dat jargon aan ontwikkeling onderhevig is, volgens Den Boon. ,,Vaak wordt een jargonwoord vervangen door een andere term zodra het woord ingeburgerd raakt. Dan is het niet exclusief genoeg meer voor de groep. Zo is `afvloeien' vervangen door `uitstromen', omdat iedereen een begrip als `afvloeiingsregeling' inmiddels normaal vindt.''

Opvallend is de sterke scheiding tussen privé- en werksfeer bij het gebruik van opblaastaal, vindt Tiggeler. ,,Thuis doen we niks pro-actief, jagen we niets aan en koppelen we niets terug naar de kinderen. Kennelijk hoeven we daar geen onzekerheid te verbergen. Het is alsof er een knop omgaat als mensen in hun vrije tijd over hun werk beginnen. Het ene moment praten ze nog normaal, het volgende rollen er woorden en begrippen uit als `professionaliseringsslag', `verbeteringstraject' en `een stukje commitment'.''

Voor wie zijn opblaastaalvaardigheid wil verbeteren, hebben Tiggeler en Vuijk nog een tip: ,,Doe alsof u hebt doorgeleerd in het moderne marketingjargon en bedenk voor het bedrijf waar u werkt een nieuwe vermelding in de Gouden Gids. Verzwijg uw product, lever een concept. U hebt een kapsalon? Dan biedt u `maatwerk in representativiteit'. Een haardenzaak? Dan bent u een `betrouwbare partner in behaaglijkheid'. Denk vaag, denk breed, denk succesvol!''

Eric Tiggeler en Mieke Vuijk, De Zwarte Woordenlijst, lexicon van modern taalmisbruik. SDU Uitgevers. Prijs: €10. ISBN 90-12-09965-X.