Integratiebeleid was vrijblijvend en passief

Het Nederlandse integratiebeleid is jarenlang gekenmerkt door ontkenning van de problemen en misplaatste pogingen de lieve vrede te bewaren en moeilijke keuzes te vermijden. Dat moet anders, vindt Maxime Verhagen.

Zonder overdrijving zou ik, los van de individuele successen, willen stellen dat het integratiebeleid in ons land is mislukt. Degenen die het tegendeel durven te beweren, zijn naïef of onwetend, of allebei. We kunnen constateren dat allochtonen in Nederland de verkeerde lijstjes aanvoeren: WAO, Bijstandsuitkering, WW, huiselijk geweld, criminaliteitscijfers, schooluitval en leerachterstand. Bovendien is het toekomstige perspectief van integratie niet direct om vrolijk van te worden. Van de derde-generatie-migranten haalt maar liefst 75 procent hun partners uit het land van herkomst in plaats van te trouwen met andere Nederlanders. Vaak uit hetzelfde dorp en vanuit de eigen familie.

Mensen met verschillende achtergronden zullen moeten samenleven. Dat is de reden waarom het CDA er zo'n groot belang aan hecht dat nieuwkomers in ons land integreren. Dat zij zich identificeren met ons land. Voor de toekomstige generaties is dat van groot belang. Alleen zo zijn op den duur grote tegenstellingen in eigen land of rellen zoals elders in Europa te voorkomen. Het kan alleen als we heel duidelijk de problemen benoemen. En als we daarna een veeleisend integratiebeleid formuleren om vervolgens juist zo te werken aan goede verstandhoudingen en aan samenhang.

Daarbij is paniek en luid geroep om tijdelijke lapmiddelen niet behulpzaam. Vrijblijvendheid daarentegen nog minder, want juist die vrijblijvendheid en passiviteit hebben jarenlang het integratiebeleid gekenmerkt.

Op een aantal terreinen is flinke vooruitgang geboekt. Het is echter niet voldoende. De problemen zoals ze die bijvoorbeeld in Rotterdam ondervinden, zoals blijkt uit de recente segregatiediscussie in de Maasstad, tonen aan dat het keren van het segregatietij een kwestie van lange adem zal blijken. Het volstaat dan ook niet dat politieke partijen blijven steken in het elkaar de schuld geven van het falende beleid. Boter op je hoofd heb je pas echt als je naast de discussie over de schuldvraag vergeet na

te denken over hoe het beleid in

de toekomst kan worden verbeterd.

De geschiedenis van het integratiebeleid in Nederland kent verschillende periodes. In de jaren '50 en '60 was er in het geheel geen beleid, vanwege de wederopbouw en het nog relatief geringe aandeel migranten. In de jaren '70 stond de tijdelijkheid van het verblijf en daarmee het behoud van de oorspronkelijke cultuur centraal. In de jaren '80 hadden we het minderhedenbeleid. En in het laatste decennium van de vorige eeuw was het integratiebeleid gericht op sociaal-economische aanpassing. Pas de laatste jaren is er een begin gemaakt met een verplichtend en eisend beleid, met accent op sociaal-culturele integratie als belangrijke voorwaarde. Kortom, tientallen jaren is het integratiebeleid gekenmerkt door vrijblijvendheid en koestering van de migrant. Het overheidsbeleid is altijd te veel gebaseerd geweest op `hulpverlening' en welzijnswerk. Een overheid die tegelijkertijd `pamperde' en wegkeek, met als gevolg een lang gekoesterde `zieligheidscultuur'.

De oorzaak van deze welzijnswerkermentaliteit van het beleid is volgens mij: een misplaatst schuldgevoel (wij vroegen ze hierheen te komen) en politieke correctheid (de grote maatschappelijke problemen bij allochtonen zijn een vorm van kortzichtige discriminatie). Dit blokkeerde een werkelijke aanpak door beleid dat het lef heeft problemen te benoemen en veroorzaakte struisvogelpolitiek. De `slachtofferisering' van de allochtoon waarbij de overheid al zijn problemen moet oplossen, want anders is die overheid asociaal en laat die mensen in de kou staan. Minister Van Boxtel dronk heel wat koppen thee van vrijblijvendheid, maar tot echte resultaten leidde het niet. Imam El Moumni kon in deze prettige sfeer tenminste uitleggen dat zijn uitspraken over homoseksuelen verkeerd begrepen waren en de minister verder vriendelijk toelachen, want hij verstond hem toch niet.

We moeten daarom eens stoppen met het denken vanuit de slachtofferrol, dat elk eigen initiatief in de kiem smoort. Mensen die naar Nederland komen, hebben in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid om de taal te leren en hier te integreren. Dat de Nederlandse overheid daar eisen aan stelt en er voor past om voor het gehele kostenplaatje op te draaien is niet zielig, maar zou eigenlijk vanzelfsprekend moeten zijn.

Voor het CDA staat voorop dat bij het integratiebeleid naast een sociaal-economische, ook met een sociaal-culturele aanpassing rekening wordt gehouden. Werk en onderwijs alleen zijn niet genoeg. Je kunt aan de lopende band staan zonder een woord Nederlands te hoeven spreken: zo raak je niet geïntegreerd. Je moet ook weten hoe Nederland werkt, welke basale waarden en normen er zijn, sociale codes, contacten met autochtonen hebben. Dat vraagt aanpassing van de nieuwkomer. Niet `werk, werk, werk' maar ook `taal, taal, taal' als voorwaarde voor geslaagde integratie

Het grootste gevaar dat dreigt bij mislukte integratie, is het verschijnsel van de segregatie en het ontstaan van onbeheersbare onderklassen. Gelukkig kennen wij nog geen toestanden als in bijvoorbeeld de Parijse voorsteden of de rassenrellen in Engelse steden. Maar ook in ons land wordt in 1994 (Contourennota Binnenlandse Zaken) al gesignaleerd dat de concentratie van allochtonen in grote steden problemen op kan leveren. Toch leidt dat niet tot actie. Momenteel is de dreiging van gettovorming nog steeds een actueel probleem dat om directe maatregelen vraagt. De grote steden wijzen er op dat de problemen onbeheersbaar worden. Overigens speelt dat ook bij steden buiten de Randstad, zoals Tilburg, Eindhoven, Nijmegen.

De islamitische wereld kent (nog) niet echt een traditie van democratie en rechtsstaat. Het is de aloude reflex van vrijblijvendheid en politieke correctheid om dat te ontkennen. Er moet een brug worden geslagen tussen de islamitische identiteit van migranten en de Westerse traditie van democratie en rechtsstaat. Daarbij moeten we beseffen dat het uitbannen van de islam uit het openbare leven, zoals door sommigen bepleit, averechts werkt. Dan wordt die brug namelijk nooit geslagen en ontstaan er radicale bewegingen die zich tegen onze samenleving zullen gaan afzetten.

Westerse culturele ontwikkeling en rolmodellen in eigen kring zijn een belangrijke voorwaarde voor de emancipatie en ontwikkeling van allochtonen. Er zijn meer positieve rolmodellen nodig. Niet een Jahjah of rapgroepen die door het uitslaan van uitermate racistische en antisemitische teksten populariteit onder allochtone jongeren schijnen te verwerven (De Nieuwe Allochtonen Groep). Maar wel Hind uit Idols, of de schrijvers Kader Abdollah en Abdelkader Benali die een vernuftige synthese tussen hun allochtone achtergrond en de Nederlandse taal en cultuur tot stand weten te brengen. Dergelijke voorbeelden zijn veel beter dan de overheid in staat om de Nederlandse traditie van vrijheidsrechten en democratie over te dragen. Dat betekent wel dat die rolmodellen en organisaties van allochtonen hun leidende rol moeten nemen en niet wegkruipen door interne verdeeldheid.

Maxime Verhagen is fractievoorzitter van het CDA in de Tweede Kamer. Dit is een ingekorte versie van de toespraak die hij gisteren hield. De volledige tekst is na te lezen op www.nrc.nl/doc.