Doorstoken

De klimaatsverandering bedreigt vele levensvormen, waarschuwde het tijdschrift Nature vorige week. Maar uitsterven biedt ook voordelen, stelt Jelle Reumer, directeur van het Natuurmuseum.

Ergens tussen de 18 en 35 procent van de plant- en diersoorten op aarde is gedoemd tegen het jaar 2050 te zijn verdwenen als gevolg van klimaatsverandering. Het juiste percentage hangt af van de precieze temperatuurstijging die een gevolg is van de uitstoot van broeikasgassen, zoals het koolstofdioxide (CO2) dat wij dagelijks uit schoorstenen, knalpotten en andere stookkanalen laten ontsnappen.

De doemcijfers werden vorige week donderdag in Nature gepubliceerd en werden nog diezelfde avond door een vrolijk kijkende Loretta Schrijver in het RTL-journaal aangehaald. De nieuwsrubriek opende zelfs met het bericht. Terecht, want het is dan ook volstrekt apocalyptisch. Ruwweg een kwart tot eenderde van alle levensvormen is er straks niet meer. Van de tijger en de kabeljauw weten we dat al langer: die voeren nu eenmaal een achterhoedegevecht tegen het bijgeloof en de vraag naar vissticks. Maar wie weet zijn straks ook de koolmees, de zeehond en de dagpauwoog onderdeel van de geschiedenis geworden.

De vraag is of dat erg is. Antwoord 1: ja, dat is vreselijk. Je hoeft geen baardige Greenpeace-donateur te zijn om in te zien dat het teloorgaan van wat de evolutie in de loop van miljoenen jaren heeft laten ontstaan een ernstige verarming betekent van het leven op aarde, inclusief dat van onszelf.

Antwoord 2: nee hoor, niks aan de hand. Gezien tegen de lange geschiedenis van de aarde is zo'n opwarming een minor issue te noemen. Om te beginnen zijn er perioden geweest waarin de aarde nog veel warmer was dan voor 2050 volgens het somberste doemscenario wordt voorspeld. Toen ging de natuur gewoon door met functioneren, er gingen soorten dood en er kwamen weer andere soorten voor in de plaats.

En dan de momenten van massa-uitsterven! Aan het einde van het Perm-tijdperk, zo'n 245 miljoen jaar geleden, vond een massa-extinctie plaats waarbij naar schatting 90 procent van alle toen op aarde levende diersoorten verdween. In het daaropvolgende Trias-tijdperk kregen nieuwkomers de kans om de ecologische gaten op te vullen die de ramp (oorzaak onduidelijk, vermoedelijk een combinatie van factoren) had opengelaten. Dat waren de dinosauriërs, een diergroep die de aardse ecosystemen domineerde tot het einde van het Krijt-tijdperk. Toen, nu ongeveer 65 miljoen jaar geleden, trof een kilometers grote meteoriet de aarde ter hoogte van Mexico. Als gevolg van deze impact stierf, naar men vermoedt, 50 tot 60 procent van alle soorten uit. Inclusief de ooit zo succesvolle dinosauriërs. En opnieuw ontstonden er veel ecologische ruimten die door nieuwkomers konden worden opgevuld. Dat waren de zoogdieren, een diergroep die veel ecosystemen domineert tot op de dag van vandaag. In elk geval tot 2050, daarna is twijfelachtig.

In beide gevallen, de 90 procent extinctie aan het eind van het Perm en de 50-60 procent extinctie aan het einde van het Krijt, verdwenen er weliswaar veel soorten (en ongetwijfeld ook veel soorten waarvoor het Wereld Natuur Fonds nu collectes zou organiseren), maar de natuur ging gewoon door met functioneren. Met verhoogd enthousiasme zelfs, want er bleken onvermoede kansen voor het oprapen te ligen. Zonder de einde-Krijt extinctie hadden de zoogdieren nooit de kans gekregen te gaan domineren, zouden de primaten niet zijn ontstaan uit spitsmuisachtige voorouders en zouden er dus ook geen mensapen en mensen zijn geweest. Wij hebben simpelweg ons bestaan te danken aan die grote meteorietinslag in Mexico en dus ook alle aanleiding tot vreugde over zo'n massa-extinctie.

Na 2050 is er geen panda en geen tijger meer, zullen misschien ook de koolmees en de dagpauwoog zijn verdwenen en als dan de mens en passant ook het loodje legt, tja, dan is er dus reden tot groot optimisme. Flink doorstoken dus.