Onderzoek militair 2

In de commotie rond de 43-jarige sergeant-majoor van de mariniers blijft één vraag voortdurend onbeantwoord: waarom richt de verdenking zich op moord, doodslag en dood door schuld, en niet op datgene wat feitelijk is gebeurd? Ook in Nova werd deze vraag niet aan procureur-generaal De Wijkerslooth gesteld.

Ik ga uit van het volgende: een onderofficier van de mariniers, gelegerd in het zuiden van Irak, schiet naar hij weet in strijd met de voor hem geldende geweldsinstructie op een plunderaar en treft deze dodelijk. Op militairen, en dus ook op de marinier, is naast het Wetboek van Strafrecht het Wetboek van Militair Strafrecht (WvMS) van toepassing. Dit wetboek kent het misdrijf niet-naleving van een dienstvoorschrift. Een militair die een dienstvoorschrift niet naleeft, is dus strafbaar. De hoogte van de straf hangt af van de gevolgen. Heeft het feit iemands dood ten gevolge gehad, dan kan de dader worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar of geldboete van ten hoogste 11.250 euro. Zie artikel 136 WvMS. Weliswaar kan een geweldsinstructie niet, althans niet in alle gevallen, als een dienstvoorschrift in de zin van het WvMS worden aangemerkt, maar in een voorschrift dat wél een zodanig dienstvoorschrift is, staat dat (bevoegd gegeven) geweldsinstructies, ook indien zij afkomstig zijn van een buitenlandse bevelvoerder, dienen te worden nageleefd. Zie artikel 137 van het Algemeen militair ambtenarenreglement.

Een militair, die in strijd met de voor hem geldende geweldsinstructie op een plunderaar heeft geschoten en deze dodelijk heeft getroffen, kan dus worden vervolgd voor het misdrijf, omschreven in artikel 136 WvMS. Een zodanige vervolging ligt vele malen meer voor de hand dan een vervolging ter zake van doodslag of van dood door schuld. Van een vervolging ter zake van moord wil ik niet eens spreken.