Museumbonzen zijn schijnheilig

Stuk voor stuk reageerden ze enthousiast, de museumdirecteuren. Wat een idee van SP-leider Jan Marijnissen om een Nationaal Historisch Museum te willen! Zo'n museum, waarin de wordingsgeschiedenis van Nederland in beeld wordt gebracht, moet ertoe bijdragen het historisch besef te doen toenemen want daar ontbreekt het bij velen aan, vindt getuige de reacties uit de museumwereld op dit voorstel, eigenlijk iedereen.

Zoals de oud-directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam, Henk van Os. Het `Rijks' integreert kunst en geschiedenis weliswaar, maar beperkt zich wel tot een bepaald aspect. En de directeur van het Amsterdams Historisch Museum Pauline Kruseman. Zij somt op dat er allerlei gespecialiseerde musea zijn zoals Verzets-, Scheepvaart- en Vakbondsmuseum, maar ze zou het toejuichen als er in Nederland een museum zou komen dat sterk educatief gericht is en vanuit een brede optiek inzicht wil verschaffen in de wordingsgeschiedenis van Nederland. Peter Sigmond, directeur Collecties Rijksmuseum, sluit zich hierbij aan. Het nieuwe Rijksmuseum wil, aldus Sigmond, kunst nadrukkelijker in een historische context plaatsen. Naast schilderijen illustreren ook historische iconen als het stokje van Johan van Oldenbarnevelt en de kist van Hugo de Groot het verhaal van de Gouden Eeuw. Maar in zo'n historisch museum kun je natuurlijk veel verder gaan en niet alleen een relatie leggen met de beeldende kunst. Ook met de literatuur, met Vondel die daarover schreef, met de strijd tussen Maurits en Oldenbarnevelt, Remonstranten en Contra-Remonstranten, Gomarus en Arminius, de Nachtwacht als de openingsscène van de Gijsbrecht van Amstel, met de kleding uit die tijd, met wat er in die jaren werd gebouwd, hoe de mensen toen leefden. Door al die gebieden met elkaar te verbinden kun je een prachtig beeld geven van de wordingsgeschiedenis van Nederland.

Waren onze museumbonzen inderdaad zo enthousiast? Helemaal niet. Hun reacties kwamen er op neer dat zo'n historisch museum nergens voor nodig was. De bestaande musea voerden die taken al lang uit, vonden zij. Alsof een bezoek aan al die musea bij elkaar een samenhangend beeld oplevert van onze historische ontwikkeling.

Daar gaat het die directeuren blijkbaar niet om. Hun negatieve reacties zijn uitsluitend te verklaren uit eigenbelang. Terwijl iedereen weet dat het in Nederland, als gevolg van alle onderwijsvernieuwingen en ons cultuurrelativisme sedert de jaren zeventig, allerberoerdst gesteld is met de historische kennis, wordt de suggestie om daar iets tegen te ondernemen meteen de kop ingedrukt. Gevestigde instellingen voelen zich meteen bedreigd. Nergens voor nodig, wij doen dat al, roepen ze in koor, terwijl duidelijk is dat veel en veel meer nodig is om het bestaande historisch en cultureel analfabetisme te overwinnen. Daar komt nog bij dat ook de behoefte aan dergelijke kennis toeneemt. Niet alleen omdat we niet in staat zijn tegenover nieuwkomers duidelijk te maken wie we zijn, waar onze instituties vandaan komen, hoe die historisch geworteld zijn, maar ook omdat met het Verenigde Europa de behoefte aan definiëring van de eigen identiteit steeds sterker wordt. Europeaan zijn is een economisch en staatsrechtelijk gegeven maar daar kun je maar moeilijk je identiteit aan ontlenen.

De reacties van de museumdirecteuren zijn kenmerkend voor de manier waarop voorstellen en ideeën worden onthaald. Wie het waagt een oplossing te bedenken voor welk maatschappelijk probleem dan ook, wordt meteen bedolven onder de kritiek waarom dat niet kan of waarom dat nergens voor nodig is. Velen verkeren in de veronderstelling dat met kerst wordt herdacht dat Christus werd gekruisigd, maar elke dag maken we mee dat wie het waagt een voorstel te doen wordt gelyncht. Zoals Jan Marijnissen, door benepen museumdirecteuren.

Leo Prick is columnist.