God zit in de advertenties

Ieder tijdschrift is een wereld op zich. Maar als je daar staat, in de kiosk, tussen al die honderden bladen, valt het niet mee zo'n wereld snel op waarde te schatten. Neem dot dot dot, een blad dat er op het eerste gezicht uitziet of het niet verkocht wil worden. De voorkant is kaal, op een zwarte gekalligrafeerde draaikolk na, en wat kleine letters waarin wordt gemeld dat dot dot dot een `uptight, optipessimistic art & design magazine' is. Wat doe je daar mee, in het melkwegstelsel van de moderne kiosk? Lekker laten zweven natuurlijk – en dat is jammer. Want de identiteit van dot mag dan onduidelijk zijn, het blad, of in ieder geval dit nummer, is ruimschoots de moeite van het oppakken waard.

De lezer die het openslaat, merkt namelijk al snel dat de redactie van dot goed kan kijken. De vormgeving is sober, maar smaakvol en inventief. Die scherpe blik wordt bevestigd door de onderwerpskeuze: die zit op het gebied tussen kunst, vormgeving en typografie. En daarmee wordt het pas echt interessant. Want vormgevers, het wordt vaak over het hoofd gezien, hebben vaak een opvallend goede kijk op beeldende kunst – ze laten zich namelijk niet afleiden. Juist doordat het hun werk is boodschappen en signalen zeer subtiel, bijna onopgemerkt in beeld te verpakken, zijn ze erg gevoelig voor de beeldboodschappen van anderen. Dat blijkt al uit het openingsartikel van deze dot, waarin de New Yorkse vormgever Rob Giampietro het grote posterproject van tientallen `wereldberoemde' kunstenaars dat vorig jaar in het kader van de Biennale van Venetië werd georganiseerd, onder de loep neemt. Dat doet-ie goed en kritisch, mede doordat hij voor zijn analyse de hulp inroept van een oud essay van Susan Sontag. Samen maken ze gehakt van deze verzameling van artistiek narcisme en zelfgenoegzaamheid.

Daarmee is de toon van dot wel gezet. Het blad is kritisch, veel beter geschreven dan gemiddeld en bevat originele invalshoeken. Zo schrijft Peter Bilak een kort stuk over de nieuwe letter die Mevis en Van Deursen ontwierpen voor de nieuwe `corporate identity' van Museum Boijmans Van Beuningen. Hoewel, nieuw? Bilak laat zien dat deze zogenaamd nieuwe letter bijna letterlijk een kopie is van de letter die Lance Wyman in 1968 ontwierp voor de Olympische Spelen in Mexico. Mevis en Van Deursen geven dat ook wel toe, maar beroepen zich op het feit dat ze de letter `heel anders gebruiken'. Waar dat 'm dan in zit – Bilak ziet het niet en wij, als lezers, die beide fonts kunnen vergelijken, geloven hem meteen.

En zo gaat het door in dot met goed gekozen artikelen en grappige illustraties. Zo onderwerpen Mark Owens en David Reinfurt verschillende groepsfoto's van designstudio's uit de jaren zeventig aan een `sociologische analyse' (gevaarlijk dicht op de rand van meligheid) en Paul Elliman toont een deel van zijn collectie `bankbiljetten waar gebruikers op geschreven hebben': bijvoorbeeld een pondbiljet met de tekst `Milk tea sugar fags' (melk thee suiker peuken), en een tien yuan-biljet waar iemand met de hand Mao's slogan `Werk voor het volk' op schreef.

De lezer die er hierna nog aan mocht twijfelen dat dot dot dot een blad is van vormgevers, voor mensen die graag goed kijken, vindt de definitieve bevestiging in het advertentiegedeelte. Daar zijn, als final statement, alle advertenties in exact dezelfde kale vorm gegoten, alleen de kleur van de pagina's verschilt. `God is in the footnotes' meldt de redactie uitdagend op de laatste pagina, maar dat is in het geval van dot dot dot maar half waar. Die zit stiekem in de advertenties.

Dot dot dot nr. 7. 100 blz. Prijs 10 euro. Inf. www.dot-dot-dot.nl