Geen boeken in het Witte Huis

Het Witte Huis doet niet aan boekbesprekingen, knorde een woordvoerder van de regering-Bush gisteren. Dat lijkt heel verstandig, als we de uitspraken van de Amerikaanse president even voor lief nemen over Jezus als `grootste filosoof aller tijden' (per slot van rekening ook een soort boekbespreking).

Aanleiding voor het commentaar was het verschijnen, vandaag, van een boek door oud-minister van Financiën Paul O'Neill waarin de ex-bewindsman, vertrokken na aanhoudende ruzie met Bush over het economisch beleid, uit de school klapt dat het verwijderen van Saddam Hussein al lang voor de aanslagen van 11 september 2001 een prioriteit was van de regering-Bush. Dat is niet helemaal nieuw, want, om dan zelf maar met boekbesprekingen te beginnen, ook uit Bob Woodwards Bush at War (2002) bleek tussen de Afghaanse bedrijven door dat de vraag `wat gaan we doen met Irak' Bush op de lippen bestorven lag. Niet verwonderlijk, gezien de ervaringen van Bush senior met Saddam, maar vooral omdat destijds onder inlichtingendiensten (ook de Europese) consensus bestond dat Irak binnen afzienbare tijd de beschikking kon hebben over een atoombom en dus niet alleen een bedreiging vormde voor de regio, maar zelfs voor Europa en de VS.

Woodward ging niet uitdrukkelijk in op de vraag wat dat betekende, en welke samenhang er eventueel was met de aanslagen van 11 september. Maar O'Neill zegt nu simpelweg dat hem in de 23 maanden dat hij als minister diende onder Bush `niets ter ore is gekomen dat kan worden aangemerkt als het bewijs voor massavernietigingswapens' in Irak. Hij voegt zich daarmee in het koor van critici die in het schrikbeeld van de `paddestoelwolk boven onze steden' dat de regering-Bush opriep om de oorlog tegen terreur, inclusief de invasie van Irak, te verdedigen, een grove verdraaiing zien van de feiten. Het wekt de indruk dat we zijn bedrogen door regeringen die koste wat het kost nu wilden afrekenen met Saddam.

Of was er ook sprake van zelfbedrog in Washington en Londen? Minder goed voor een politieke rel dan het boek van O'Neill, maar even interessant voor een recensie is een artikel van Kenneth M. Pollack, oud-regio-analist van de CIA en adviseur van president Clinton, in het jongste nummer van The Atlantic Monthly. Pollack is de auteur van het invloedrijke boek The Threatening Storm. The Case for Invading Iraq (besproken in de boekenbijlage van deze krant, 15.11.2002). Hij zette alle argumenten voor en tegen een interventie in Irak op een rijtje en kwam tot de conclusie dat oorlog `onvermijdelijk' was omdat alle andere opties om Saddam te beheersen hadden gefaald en nu moest worden voorkomen dat de Iraakse dictator een kernwapen in handen zou krijgen. Pollacks boek liet geen twijfels toe: Amerikaans ingrijpen was redelijk, dringend en geboden. Maar de bespreker van deze krant, Reinoud Leenders, kwam tot de slotsom dat zelfs na lezing van dit pleidooi `de vermeende dreiging die van Saddam uitgaat puur [is] gestoeld op waarschijnlijkheidsberekeningen en niet op feiten'.

Pollack is het nu opmerkelijk genoeg achteraf met de bespreker eens, blijkt uit zijn stuk in The Atlantic Monthly onder de kop `Spionnen, leugens en wapens: wat ging er mis?' Hij bekent nu dat bij nader inzien de veiligheidsdiensten het wapenarsenaal van Saddam hebben overschat, en dat topfunctionarissen van Bush die schatting vervolgens weer hebben opgerekt om de oorlog te rechtvaardigen. Uitspraken van Bush en anderen in Washington over de dreiging van Saddam gingen stelselmatig uit van het slechtst denkbare scenario: een Irak dat binnen een jaar een atoombom zou hebben. De feiten die nu beschikbaar zijn, zoals in oktober gepresenteerd door David Kay van de Iraq Survey Group, wijzen echter uit dat Saddam weliswaar nog de beschikking had over wat oudere programma's voor biologische oorlogvoering en voor verboden langere-afstandsraketten, maar dat het gevreesde nucleaire programma, het zwaarste argument voor ingrijpen, stillag. Saddam had ongetwijfeld de wens die wapens ooit te ontwikkelen, maar op het moment van de beslissing tot oorlog leidde het Iraakse nucleaire programma `een slapend bestaan'.

Waarom werkte Saddam dan niet mee met de wapeninspecties? Pollack gaat ervan uit dat Saddam in 1995/96 het besluit nam zijn wapenprogramma's terug te draaien, maar niettemin de inspecteurs dwarsboomde om gezichtsverlies in Irak en in de Arabische wereld te voorkomen. De situatie in Irak was instabiel, het gonsde van couppogingen en de economie dreigde, vóór het voedsel-voor-olie-programma, volledig vast te lopen. Saddam was volgens Pollack eerder bezig met machtsbehoud in eigen land dan met het bedreigen van de buitenwereld.

Maar dan nog: beter te vroeg ingegrepen dan te laat, kunnen verdedigers van Bush zeggen. Ook advocaten en openbare aanklagers presenteren soms niet alle feiten maar de meest extreme scenario`s, in het belang van hun cliënt. Pollack gaat in zijn ommekeer echter zover dat die verdediging hem niet overtuigt: de president is geen advocaat, maar een openbaar functionaris die de hele natie moet dienen, en niet één kant in een meningsverschil of conflict. Het besluit van Washington de oorlog op zo korte termijn te beginnen, zonder meer tijd te investeren in het bouwen van een coalitie, noemt Pollack daarom `roekeloos'. Washington moet dat erkennen en beterschap beloven, vindt hij, in het belang van Amerika's geloofwaardigheid in de internationale arena.

De biecht van Pollack is opmerkelijk, ook al weigert hij de oorlog nu geheel te veroordelen. Hij herhaalt zijn opvatting dat containment van Saddam op een mislukking was uitgelopen, en de oorlog was geen `strategische vergissing', ondanks de `onthutsend slechte' voorbereiding voor wederopbouw van Irak. Het is winst dat Saddam uit de weg is geruimd, het Iraakse volk mag `geen dag vrijheid worden misgund', en ten slotte houdt hij ook een slag om de arm wat er nog aan het licht kan komen in Irak. Toch is de zwenking van deze havik ook zelf verontrustend, gezien zijn eerdere stelligheid. Het is een teken dat de manier waarop de acute dreiging van Saddams wapenarsenaal erin is gehamerd, de publieke meningsvorming in de westerse wereld, en de democratie, schade heeft toegebracht – die nog niet wordt goedgemaakt door een goede afloop.