Een laars met een aftraprand

Laarzen voor het wassen van de auto hoeven niet meer dan 10 euro te kosten. Dankzij de uitvinding van polyvinylchloride (pvc) zijn laarzen tegenwoordig een massa-artikel. Maar pvc laarzen zijn niet overal geschikt voor. Pvc krimpt bij lagere temperaturen en het wordt hard. Daar wordt door de fabrikant wat aan gedaan door weekmakers aan het materiaal toe te voegen, maar het blijft een zwak punt.

Tijdens een koude winter, jaren geleden, lag er in de achterbak van menige auto een hoopje groene scherven, het restant van een paar pvc laarzen. Beneden de vijftien graden onder nul gaat pvc spontaan breken.

Een beter materiaal voor laarzen is rubber. Er zijn veel soorten rubber: soepel natuurrubber (latex), onbrandbaar nitrilrubber (voor de brandweer), ondoorlatend butylrubber (voor chemische bescherming) en warm en verend neopreen.

Ook mengvormen van rubbersoorten zijn mogelijk. En omdat rubber goed te lijmen valt, zijn veel rubberlaarzen van combinaties gemaakt: de schacht van soepel latex, de zool van zwaarder gevulcaniseerd materiaal, soms een gedeeltelijke voering van neopreen. Een paar rubberlaarzen kost 25 tot 40 euro, maar er zijn merklaarzen voor jager en luxezeiler die aanmerkelijk meer kosten. De laarzen van hoogwaardig qualiteitsleder laten we hier ook buiten beschouwing. Dat is meer iets voor het après-chasse.

Een nog beter materiaal voor laarzen dan rubber is polyurethaan (PU). PU wordt in principe aangetast door schimmels, maar door toevoeging van biocides is dat probleem verholpen. In Europa worden PU-laarzen gemaakt door Dunlop en door het Belgische Bekina. Polyurethaan laarzen zijn aanmerkelijk warmer dan pvc- of rubberlaarzen. Dat komt door de schuimbelletjes in het materiaal. Ook zijn ze soepel, zeer slijtvast en belangrijk: zo'n 40 procent lichter dan rubberlaarzen. Ze worden veel gebruikt in de industrie, in de landbouw, offshore en in koelhuizen. Sinds kort worden PU-laarzen ook verkocht in sport- en zeilwinkels, waar natuurrubber en neopreen de boventoon voerden. Polyurethaan laarzen heb je al vanaf 50 euro, maar de meeste zijn duurder.

Hoe zie je nu waarvan een laars gemaakt is? Zwarte laarzen zijn meestal van rubber, maar groene laarzen kunnen overal van gemaakt zijn. De kleur zegt in feite niets. Wie een goede neus heeft, haalt een rubberlaars er gauw uit. Daarvoor hoef je niet eens een vlammetje onder de zool te houden. Ook heeft rubber een zekere dofheid, terwijl pvc en polyurethaan juist glanzen. Polyurethaan haal je er vooral uit door zijn lage gewicht: de laars weegt aanmerkelijk minder dan je verwacht.

Een laars koop je iets te groot, bijvoorbeeld een halve maat groter dan je schoen. Je draagt ze met dikke sokken. Of beter nog: met twee paar sokken, waarvan het binnenste paar dun en glad is. Dit voorkomt blaarvorming.

Inlegzooltjes helpen ook om de laarzen op maat te krijgen. Verder heeft een inlegzool het voordeel dat hij vocht opneemt: je kunt hem eruit halen om te drogen.

Een goede laars heeft van achteren een aftraprand, waardoor je ze kunt uittrekken zonder handen (en zonder te bukken). Ook hebben goede laarzen een dubbel randje onder de schacht aan de binnenkant van het been om het omhooglopen van modder tegen te gaan. Koop laarzen liever niet gevoerd: als de voering vies of nat wordt, duurt het drogen erg lang.

Een pvc-laars die niet lekker zit, knapt vaak op door de schacht bij te knippen. Bij PU-laarzen van Bekina zit daar een speciale rand voor. Vooral vrouwen vinden een hoge schacht onaangenaam.

Lange wandelingen op laarzen hoeven geen zweetvoeten te geven. De schacht geeft tijdens het lopen een soort pompwerking die de voet ventileert. De laars mag dan niet te krap zijn en niet aan de bovenzijde zijn afgesloten met een vetersluiting. Laarzen met delen van Gore-tex, bedoeld om ventilatie mogelijk te maken, zijn nodeloos kwetsbaar.