De globalisering als vredesduif

De spanningen tussen India en Pakistan kunnen niet alleen worden opgelost door de leiders, maar ook door de globalisering, betoogt Fareed Zakaria.

Wil een land fundamenteel veranderen, dan moet het geloven in een positieve toekomst. Daar schort het aan in het Arabische Midden-Oosten. De vijandschap tussen India en Pakistan is een geopolitiek gegeven geworden dat wij domweg aanvaarden, net als het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Behalve in Zuid-Azië is het niet tot een echte vrede gekomen en zelfs niet tot een vredesproces. Maar misschien is er verandering op til. Vorige week hebben premier Atal Bihari Vajpayee van India en president Pervez Musharraf van Pakistan een – volgens Musharraf – historisch onderhoud gehad. Zeker, het is een eerste stap op een lange weg en er kan nog veel misgaan, want op het punt van Kashmir blijven beide partijen onwrikbaar. Maar in de zaak zelf en in de aanpak ervan hebben de twee landen de afgelopen tien dagen meer vooruitgang geboekt dan in de voorgaande tien jaar.

Dat is allereerst de verdienste van de leiders. Vajpayee en Musharraf hebben op een toenadering aangedrongen tegen het verzet van hun bureaucratieën in. Vajpayee had zijn belangrijke stap in de richting van vrede, een toespraak in Srinagar op 18 april 2003, van tevoren alleen aan zijn drie meest vertrouwde adviseurs laten lezen. Ook Musharraf bepaalt zijn beleid met slechts een paar medewerkers, tot ongenoegen van een groot deel van het Pakistaanse establishment.

Beide leiders zijn gerijpt. Toen Musharraf nog generaal was, was hij een provocateur; de schandelijke militaire operatie in Kargil in 1999 was zijn idee. Maar de generaal is bezig een bestuurder te worden. En al ging het met horten en stoten, Musharraf heeft meer gedaan om het extremisme te bestrijden en hervormingen te bevorderen dan enig andere Pakistaanse leider uit de afgelopen kwart eeuw. Uit de recente aanslagen op zijn leven blijkt dat de extremisten in elk geval denken dat hij hen fel bestrijdt.

Vajpayee heeft, van zijn kant, zijn positie geconsolideerd door een beslissende overwinning in de machtsstrijd met zijn vice-premier L.K. Adavani, een man van de harde lijn. Nu de premier zijn laatste verkiezingen en zijn laatste ambtstermijn nadert – hij is 79 –, wil hij iets nalaten. Wat zou voor Vajpayee, een fatsoenlijk man met respectabele opvattingen, mooier zijn dan de vijftig jaar oude spanningen tussen India en Pakistan tot een goed einde te brengen?

Maar de loop van deze ontwikkelingen wordt niet alleen door personen bepaald. Wat deze twee mensen de afgelopen week hebben bereikt, speelde zich af tegen de achtergrond van twee grote verschuivingen op mondiaal niveau: de toenemende sancties op terrorisme en de zegeningen van de globalisering.

De afgelopen vijftien jaar had Pakistan een goedkope, doeltreffende manier om de strijd rond Kashmir te voeren: het hielp de militanten in Kashmir bij hun terreurtactiek. Na 11 september was dat spelletje niet meer mogelijk.

Door 11 september raakte het terrorisme gestigmatiseerd en kreeg India in deze kwestie een zeer belangrijke bondgenoot: de Verenigde Staten van Amerika. Ineens merkte Pakistan dat het zich nauwelijks meer kon veroorloven om de terreur te steunen.

Niet minder belangrijk is het proces dat zich de laatste vijftien jaar in Zuid-Azië heeft voltrokken. India is door een marktrevolutie getransformeerd. De globalisering heeft alle uithoeken van het land bereikt, in de vorm van een baan bij een call-center, een speeltje uit China of televisieshows van Amerikaanse snit. Ineens willen de Indiërs meedoen. En dat lukt. Vorig jaar was het groeipercentage van de Indiase economie het tweede ter wereld: 7,4 procent. De topmannen van de Indiase bedrijven zijn vol vertrouwen dat zij op wereldschaal kunnen gaan meedraaien. In zo'n toekomst voor India is een aanhoudende koude oorlog met Pakistan een blok aan het been.

In dezelfde periode heeft Pakistan een heel andere weg gevolgd, een weg van radicale islam en ontwrichting in eigen land. Dat heeft ertoe geleid dat het BNP, dat in 1985 per hoofd van de bevolking nog 6,5 procent hoger was dan dat van India, nu 23 procent lager ligt. Het stijgende geboortecijfer ligt op een angstwekkende 2,8 procent, tegen 1,7 procent (en dalend) in India. Dertig procent van de Pakistaanse economie wordt opgeslokt door de strijdkrachten.

Musharraf heeft de val van Pakistan gebroken, en hij beseft nu dat er, wil hij Pakistan moderniseren, vrede moet komen met India. Maar het land laat zich maar moeizaam op een nieuwe koers brengen, het bederf zit diep. En toch zal, zoals Shekhar Gupta, een van de slimste denkers van India, heeft opgemerkt, de vrede slechts een succes worden als Pakistan een succes wordt.

En daar zit de les: om een land ervan te weerhouden conflicten op te stoken, moeten er op zulk gedrag zware sancties komen. Maar om werkelijk te veranderen moet zo'n land ook een positieve toekomst zien. Daar schort het aan in het Midden-Oosten. Arabische landen die de terreur financieel steunen en aanwakkeren moeten weten dat zij daarvoor een hogere prijs zullen moeten betalen. Daarnaast moeten zij de kans op welvaart voorgespiegeld krijgen en die kans grijpen. Maar weinig Arabieren geloven echter dat zij deze gemondialiseerde wereld aankunnen.

Maar vorige week zagen wij één bemoedigend voorbeeld van het tegendeel. Het is gebleken dat het besluit van Libië om af te zien van zijn kernwapenprogramma in belangrijke mate het werk is geweest van Gaddafi's zoon, die aan de London School of Economics is opgeleid. Hij drong er bij zijn vader op aan dat Libië weer aansluiting moest zoeken bij de wereld en de wereldeconomie. De vader zag alleen wat hij te verliezen had, de zoon wat er te winnen viel.

Fareed Zakaria is columnist van Newsweek.