De Europese reflex

De schending van de begrotingsregels van het Stabiliteitspact heeft de afgelopen maanden het beeld van de Europese Unie goeddeels bepaald. Gisteren was minister Bot (Buitenlandse zaken) in Berlijn druk doende om de betrekkingen met Duitsland, die beschadigd waren door de botsing over het Stabiliteitspact, te verbeteren. Het is van het grootste belang dat Nederland weer openlijk toenadering zoekt tot zijn belangrijkste handelspartner en traditionele Europese bondgenoot, Duitsland. Dit laat onverlet dat er behalve de politieke en juridische touwtrekkerij over de interpretatie van het Stabiliteitspact een ander probleem in Europa speelt dat minstens zoveel aandacht verdient: de stagnerende Europese economie.

De doelstelling die de Europese leiders in 2000 op hun topontmoeting in Lissabon formuleerden - de EU zou binnen tien jaar de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld worden - zal vrijwel zeker niet worden gehaald. De werkgeversorganisatie VNO-NCW heeft vorig jaar al gewaarschuwd: de Europese groeiagenda dreigt te mislukken. Daarom is het een verdienste dat de secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken zijn traditionele nieuwjaarsartikel in het economenblad ESB benut om de aandacht op de groeiagenda van Europa te vestigen. Alle Europese landen worstelen immers in meer- of mindere mate met economische stagnatie, en dat geldt voor Nederland in het bijzonder. In 2003 en naar verwachting ook in 2004 is Nederland de Europese hekkensluiter wat betreft economische prestaties.

In zijn ESB-artikel haalt secretaris-generaal Oosterwijk met instemming de Belgische econoom André Sapir aan, die heeft betoogd dat de Europese Unie economische groei heeft uitgeruild tegen sociale samenhang. Los van de vraag of dit werkelijk gelukt is – het succes van de sociale samenhang is vooral de bescherming van gevestigde sociale zekerheden ten koste van nieuwkomers en immigranten – het is een keuze die ten koste is gegaan van economische veerkracht. De Europese hang naar stabiliteit bestaat niet alleen wat betreft het begrotingsbeleid, maar evenzeer ten aanzien van de instandhouding van de verzorgingsstaat.

Waar schort het aan bij het zwakke structurele economische beleid in de Europese Unie? Er vinden op nationale schaal hervormingen plaats, maar het proces is traag. Op Europees niveau bestaat er een `delivery gap' – er wordt wel beloofd, maar niet geleverd. Wat met een gewichtig woord beleidscoördinatie wordt genoemd, stelt weinig voor. Het blijft steken in vrijblijvendheid of schiet door naar overdreven regelzucht. De onderlinge vergelijking van de prestaties van landen levert wel inzichten op, maar leiden te weinig tot aanpassingen. Pleidooien voor grotere Europese afstemming en voor versterking van de Europese bevoegdheden zijn daarom nuttig, maar daar moet niet te veel van verwacht worden. Als landen economisch beter willen presteren, moeten ze daar uiteindelijk zelf voor zorgen. Ook Nederland.