Loutering door lijden

Laatst dacht ik ineens weer aan haar, de jonge vrouw die ik een paar jaar geleden zag in de stationsrestauratie van het Amsterdamse Centraal Station. Ze zat te praten met een man. Toen ik na een poosje weer in haar richting keek, was de man weg. En de vrouw zat hartverscheurend te huilen. Zó erg dat ik het nog voel als ik eraan denk. Ik wist meteen wat het was: die man had tegen haar gezegd dat hij niet meer wilde, dat het niet kon, dat het uit was. Dat huilen van haar, dat kon nergens anders om zijn.

Op de Nexus-conferentie over `De anatomie van het verlies', twee maanden geleden, zeiden twee psychiaters onafhankelijk van elkaar, dat het pijnlijkste verlies een scheiding is, verlaten worden. Omdat er een element van vernedering in zit. Er werd door sommige mensen ongelovig op gereageerd: erger dan een kind verliezen? Rare vergelijkingen krijg je dan. De psychiaters bedoelden het zo niet. Maar ze bedoelden wel, dat bij een verlies waar een `dader' bij betrokken is, het voor het `slachtoffer' moeilijker is om op een of andere manier vrede te krijgen met het gebeurde.

Vanzelfsprekend ging het toen ook meteen over `de zin van lijden'. Die mogelijkheid wierpen de meeste congresdeelnemers verre van zich. Het belangrijkste argument daarbij was, dat áls iemand al het gevoel zou kunnen hebben dat hij of zij op een bepaalde manier toch iets geleerd had van het verlies, die winst toch in het niet viel bij het verlies zelf: gevraagd naar wat men liever had, de verworven wijsheid of herstel van de situatie zoals die was, zou iedereen toch onmiddellijk voor het laatste kiezen. Waarmee wel duidelijk was dat die zogenaamde loutering door lijden kletspraat was.

Ik vond dat een merkwaardige argumentatie, nog los van de vraag of je wel of niet gelooft in zinvol leed. Er is namelijk helemaal geen keus tussen de bereikte loutering en herstel van de situatie ante. Dat laatste kan eenvoudigweg niet. Er is alleen maar een manier om verder te leven met wat is gebeurd. Soms zal men dat onmogelijk vinden. Soms is een leven verwoest. Soms weet iemand op een of andere manier weer iets van herstel te bereiken en vindt dan misschien ook wel dat hij of zij groter inzicht heeft gekregen, iets geleerd heeft, iets verworven heeft, begrepen heeft welk woord men ook maar wil gebruiken. Waarom zou je dan zeggen: je had toch liever je man of je zus terug gehad dan dat je nu dat inzicht hebt?

In het toneelstuk van Willem Jan Otten dat vorige week in première ging, Braambos, gaat het ook over de verwerking van verlies. Over hoe daarmee verder te leven. Hoe zich te verhouden tot een dader, want er is sprake van een leedberokkenaar. En over de zinloosheid, of niet, van lijden.

In het stuk benadrukt een jonge, zwangere vrouw tot twee keer toe dat ze niets wil weten over het kind dat ze draagt. Om allerlei redenen, krijg je de indruk. Omdat het een inbreuk zou zijn op wat nog groeit en in wording is, nog niet bedoeld om te bekijken. Maar ook, vooral, omdat ze `ja' wil zeggen tegen het leven dat komt, hoe het er ook uit gaat zien. En sterker nog: omdat ze níét wil zeggen dat er een leven, of een lijden is, dat `zinloos' is.

Haar man, een opkomende schilder, heeft een opdracht aanvaard. Daar moest hij ook `ja' tegen zeggen voordat hij wist wat het was. Het gaat om de kruisiging. Een voorbeeld, hét voorbeeld, van lijden. Zinloos, volgens sommigen. Zinvol, volgens anderen.

De jonge vrouw vindt het een moeilijke opdracht. Ze zegt: ,,Ik probeer het me steeds voor te stellen. Dat jij iets moet maken dat zo ellendig is dat wij gaan denken: zinloos. Dit is zinloos.''

Ze klinkt een beetje naïef. En ze wordt door een andere vrouw, die in een ziekenhuis op de afdeling prenatale diagnostiek werkt, hardhandig op haar nummer gezet. ,,Maar jij hebt nog nooit een pasgeborene met een open rug gezien. Anders sprak je niet zo. En ook de ouders van zo'n kind, daar heb jij nooit naar hoeven kijken. Kennelijk. Ik moet altijd, elke seconde, onder ogen zien dat het helemaal mis is. Uitzichtloos, onbehandelbaar lijden. Dat is de realiteit.''

De vrouw die dat zegt heeft ook in haar eigen leven gezien wat uitzichtloos en onbehandelbaar lijden betekent: haar zuster, op haar vijftiende drie dagen vastgehouden en verkracht, heeft zich na jaren van stilzwijgen opgehangen.

Ga tegen zulke dingen in nog maar eens over zinvol lijden beginnen. Überhaupt een woordcombinatie die verboden zou moeten worden dat iemand lijden niet zinloos wil noemen, betekent nog niet dat het zinvól is. Als je iets niet slecht wilt noemen, is het daarmee niet automatisch goed. Het is er. Het hoort er, afschuwelijk genoeg, bij. In sommige levens veel heviger dan in andere.

Het is een lastig stuk, dat Braambos. Er is zoveel in aan de hand, want de verkrachter duikt ook op en vraagt om vergeving. Aan de zus van zijn slachtoffer. Die natuurlijk eigenlijk niet in de positie is om hem te vergeven maar die wél in de positie is van iemand wier leven, als gevolg van zijn daad, onleefbaar is geworden.

In haar boek Veroverde vergeving schrijft de Zuid-Afrikaanse Pumla Gobodo-Madikizela die zitting had in de Waarheidscommissie, over de gesprekken die ze in de gevangenis voerde met Eugène de Kock, leider van een afdeling van de geheime politie die voornamelijk tot taak had om mensen uit de weg te ruimen. Ze schrijft ook over haar verwarring ten aanzien van haar gevoelens voor De Kock. Ze heeft medelijden met hem. Ze raakt zelfs een keer in een gebaar van troost zijn hand aan, zijn moordenaarshand, en kan dan de volgende dag haar eigen hand niet meer bewegen, zo geschokt is ze door wat ze gedaan heeft. Ze ziet hoe de weduwen van door De Kock vermoorde mannen met hem willen praten, hoe ze huilen en zeggen dat ze niet alleen om zichzelf huilen, maar ook om hem, De Kock. Gobodo-Madikizela komt tot de overtuiging dat verzoening, herstel van de menselijke verhoudingen, noodzakelijk is om verder te kunnen met het leven. Daarin ligt verlossing.

Het is denkelijk met vergeving net zoals met de zinloosheid van leed: je kunt niet tegen iemand zeggen dat ze moet vergeven. Net zo min als je tegen iemand kunt zeggen dat zijn verdriet hem loutert. Of dat het niet toegestaan is een prenatale test te doen. Dat mag je niet opleggen. Maar iemand kan zelf wel de overtuiging hebben dat ze `ja' moet zeggen tegen wat er ook komt, dat er maar één manier is om het leven te leiden, hoe moeilijk ook, namelijk door het te aanvaarden.

Ik denk dat Otten zoiets wilde laten zien. In ieder geval kan je dat er bij denken.