Jansons

De Let Mariss Jansons, vanaf 1 september 2004 de nieuwe chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest, staat niet bekend als een typische interpreet van Gustav Mahler, met wiens muziek het orkest vanaf 1903 nu juist een enorme reputatie heeft opgebouwd.

Jansons dirigeerde in Amsterdam één keer een symfonie van Mahler, de zeer problematische Zevende in 2000, die als geheel een opmerkelijk licht, soms zelfs wat luchtig en goedmoedig karakter kreeg. Kenmerkend voor Jansons' houding waren ook argeloosheid en onbevangenheid binnen een weinig vooropgezet concept of een allesbeheersend idee.

Dat gebrek aan een onmiddellijk herkenbare interpretatie kenmerkt een tijdlang ook Jansons' imposante opname van Mahlers Zesde symfonie bij het voortreffelijke London Symphony Orchestra, door het orkest uitgebracht op het eigen label LSO. Deze `tragische' symfonie klinkt in het 23 minuten durende openingsdeel Allegro energico, ma non troppo contrastrijk en muzikantesk, terloops en burlesk. Niet elke potentieel aards-dramatische passage wordt als zodanig ten volle uitgespeeld. Wel wordt het nimmer afwezige dubbele in Mahlers muziek recht gedaan door het openen van vensters op een andere, magische wereld.

Maar verderop en geleidelijk aan blijkt dat Jansons een zeer uitgesproken visie heeft op deze somberste symfonie van Mahler, de enige die niet eindigt met een vervoerend visioen van de altijd cyclische natuur of een glimp van de hemel of een glimp van eeuwig leven. De Zesde eindigt met de dood, de definitief morsdode dood. Jansons neemt daarop al een voorschot door duidelijk stelling te nemen in de eeuwige vraag in welke volgorde de delen moeten worden gespeeld. Mahler zelf giste, Jansons laat het zware Andante moderato als tweede deel spelen, in plaats van het Scherzo, zoals de meeste dirigenten doen.

De dialectische visie van Jansons op de kwestie van leven en dood bereikt een hoogtepunt in het laatste deel Sostenuto - Allegro energico. Jansons lijkt hier Mahlers Zesde te presenteren als een antwoord op twee symfonische gedichten van Richard Strauss. Tod und Verklärung – een religieus-filosofisch thema dat in veel muziek rond 1900 is te herkennen, wordt door Jansons omgedraaid. De muziek tussen de doffe doodklappen van de houten hamer klinkt zó intens, dat hier al voor de dood sprake lijkt te zijn van `Verklärung', de onvertaalbare term voor een staat van genade na de dood.

Niettemin slaan Mahlers hamerslagen telkens toe, net als in Strauss' Till Eulenspiegel, waarin het meerdere malen moeite kost af te rekenen met de titelheld. De geest van Strauss' schelm blijft echter in leven, het leven in de Zesde van Mahler wordt definitief beëindigd.

Mahler: Symfonie nr 6: LSO 0038