In de wintermaanden jagen op jong gras

Overwinteren kan op vele manieren. Vandaag: wat doen kolganzen en brandganzen, die ook in de koude maanden op zoek moeten naar jong gras?

Een fraai gezicht. In de vallende sneeuw grazen enkele tientallen ganzen, happend in het korte gras van de uiterwaarden van de Nederrijn tussen Wijk bij Duurstede en Amerongen. Kolganzen met een kenmerkende witte bles op hun kop, oranje poten en zwarte strepen op hun buik. Grauwe ganzen, wat lichter bruin en met roze poten. Zwart-witte brandganzen, die eruit zien als nonnen. Onderzoeker Bart Ebbinge ziet na enkele minuten zowaar een kolgans met een brede zwarte halsband. Z15 staat erop. Ooit gevangen door een ganzenvanger voor ringonderzoek door het Wageningse instituut Alterra.

Elk jaar overwinteren in Nederland ongeveer anderhalf miljoen ganzen. De broedgebieden van de zes soorten liggen in Scandinavië, op het eiland Spitsbergen (ten noordwesten van Scandinavië), in Noord-Rusland en in Siberië. Voor ganzen, legt Ebbinge uit, betekent overwinteren vooral verblijven in gebieden met min of meer dezelfde temperatuur. In dat opzicht zijn ze te vergelijken met senioren die 's zomers in Nederland zijn en 's winters diezelfde temperatuur in Spanje hopen te vinden. Veel minder overeenkomst vertoont hun gedrag met dieren die het in de winter rustig aan doen en een winterslaap houden.

Ganzen trekken in de winter voor de vorstgrens uit. Ze houden van een temperatuur van enkele tot tien graden boven het vriespunt, wanneer hun favoriete maaltijd, gras, nog kan groeien. Ganzen eten per dag ongeveer een pond jong gras, een kwart van hun eigen gewicht. Driekwart van dat gras verlaat de gans anderhalf uur na de hap weer als mest, in de vorm van groene kroketjes met een door urinezuur witgekleurde punt. Ganzen hebben een oppervlakkig verteringssysteem, meldt Ebbinge, onderzoeker bij Alterra. Waar een koe met vier magen het gras langzaam verteert, draait een gans veel gras door. Ganzen zoeken jong, mals, licht verteerbaar gras. Zo blijven ze licht van gewicht, de beste methode om veel en lang te kunnen vliegen.

Koud hebben ganzen het niet zo snel. Onder hun veren zit een donspak dat ze als een permanente slaapzak beschermt. Pas als het water bevriest, krijgen ze het moeilijk. In zeer strenge winters trekken de ganzen die willen overwinteren op de Friese wateren door naar Zeeland of Frankrijk, om daar 's nachts op het water te kunnen rusten zoals ze gewend zijn, veilig voor roofvogels en vossen. Ook om een andere reden is kou gevaarlijk, vertelt Ebbinge: de ganzen trekken hun poten onder hun veren en gaan liggen, als gevolg waarvan ze minder efficiënt kunnen grazen. Honger of kou lijden, dat is de keuze waar elke gans op dat moment voor staat. Als de winter voorbij is, volgen ze de groene golf van de lente naar het noorden, de lente die het gras mals maakt, niet zo taai als in de zomer.

Daar staan ze te grazen, op het boerenland, tussen schapen, de verwilderde streepkopganzen uit Centraal-Azië, die gezelschap hebben gekregen van kolganzen. De meeste in gezinsverband, want ganzen zijn monogaam. Voor hen is dat de beste garantie om veel nakomelingen groot te krijgen. Roepend om hun partner te laten weten waar men is. Wiekwiek, wiekewiek. Met de kop in de wind, zodat de veren worden platgedrukt en er geen warmte verloren gaat. En grazend in een groep, want waar veel ganzen samen zijn, daar is het veilig. Langzaam maar zeker schuift de ganzenvergadering op, grazend van binnen naar buiten tot het moment dat het gras op begint te raken en er enkele besluiten om een greppel of een slootje over de steken en daar verder te grazen. De rest volgt meestal vanzelf. Ze laten een kale plek achter.

We bergen de verrekijkers op en keren huiswaarts. Onderzoeker Ebbinge speurt naar feiten over kolgans Z15. Wie is dat precies? Het blijkt te gaan om een volwassen mannetje, gevangen op 18 januari 2000 in de polder Arkemheen, ten noorden van Amersfoort. De gans is sindsdien waargenomen op 9 februari 2000 bij Reitsum en op 11 februari 2000 op de Ezumakeeg in Noordoost-Friesland. Op 17 oktober 2000 is hij gezien in de Anjumer Kolken, ook Noordoost-Friesland, en op 16 februari 2001 bij het Friese Cornwerd. Het seizoen daarop is kolgans Z15 op 14 en 25 oktober 2001 waargenomen in het Oost-Duitse Sachsen Anhalt, op 2 februari 2002 bij Workum en op 16 februari 2002 in de Maurikse en Eckse Waarden, dezelfde plaats waar hij nu weer stond te grazen. Een schijnbaar onverstoorbare overwinteraar.

Dit is het vierde deel van een korte serie over overwinteren.