Zuurkool uit het vat

Wat gebeurt er als je bedorven zuurkool in de tuin begraaft? In de hongerwinter kreeg Monica Metz haar eerste les in composteren.

In het laatste oorlogsjaar, de zogenoemde hongerwinter, kwam mijn vader thuis met een ton vol zuurkool. Wij woonden in het hart van Rotterdam in een huis dat het bombardement overleefd had. Geen omgeving waar kool groeide. Hoe hij aan het vat kwam, wist ik niet, maar in ons gezin met een vijfde kind op komst, was de zuurkool zeer welkom. De ton, die tot mijn schouders reikte, werd in de provisiekamer gezet: een donkere, koele ruimte in het souterrain met een klein raam dat voor de zon onbereikbaar was. Tegen de wanden waren houten traliekasten getimmerd die in plaats van legplanken, rekken hadden, bedoeld om flessen wijn op te leggen. In de jaren dat wij het huis bewoonden, herbergden die kasten teilen, verfspullen, gereedschap en uitgebloeide bollen.

Onder het raampje stond een hoge kist waarin aardappelen werden bewaard. De vloer was belegd met geglazuurde groene plavuizen. Hoe lang je die tegels ook schrobde, er bleef grond en zand tussen vandaan komen. Ze lagen direct op de koele aarde. In het midden was de vloer tot een ondiepe, maar wijde knikkerkuil uitgesleten. Op die plek droegen de plavuizen de matte rode tint van het oorspronkelijke baksel.

De donkere koelte gemengd met de geur van grond, van aardappelen en soms van zoete appeltjes die op de rekken lagen, gaf je bij het betreden van de provisiekamer de gewaarwording dat je een geheimzinnige, verborgen wereld binnenging.

Op de dag dat wij voor het eerst van de zuurkool zouden eten, bleek die bedorven te zijn. De stank van het vat, gevoegd bij de muffe geur van de aardappelen maakte mij misselijk. Toch bleef ik nieuwsgierig kijken naar wat mijn vader ging doen. Hij pakte de ton aan de bovenrand vast, trok hem uit het lood en rolde hem op zijn onderste duig naar de gang. Ik dacht dat hij deze wijze van ton verplaatsen zelf bedacht had en vond hem razend knap. Hij leek een evenwichtskunstenaar. Alleen bij drempels moest hij een beetje tillen.

Hij rolde de ton door de bijkeuken naar het plaatsje. Achterin de tuin lag een rond stenen vijvertje van een meter doorsnee. Dat stond al jaren droog. Ten tijde dat de wijnkasten nog flessen herbergden, moesten er goudvissen in gezwommen hebben. Mijn vader kiepte de bedorven kool erin. Tijdens het storten maakte de smurrie smakkende zuigende geluiden alsof er natte dweilen werden gepletst. Toen pakte mijn vader een schop en gooide aarde op de brij. De kluiten grond deinden, maar de stank was weg.

Een paar maanden later ging hij, nieuwsgierig naar de restanten en vergezeld door ons, met diezelfde schop de tuin in en groef op de plaats waar hij de zuurkool gestort had. Er deinde niets meer, hij trof slechts aarde aan. Toch bleef hij scheppen en stootte daarbij op brokstukken van het vijvertje dat kennelijk stukgevroren was. Maar hoe hij ook schepte, er kwam alleen aarde naar boven.

Wij suggereerden dat de zuurkool door de scheuren van het vijvertje was gesijpeld. Met de schop tilde mijn vader enige brokken steen op. Ook daaronder lag uitsluitend aarde. Waar was de zuurkool gebleven en wie had die vijver met aarde gevuld? ,,Verteerd'', zei mijn vader. ,,Door de wurmen.'' Dit was mijn eerste les in composteren.