Voorstel voor een nieuw artikel 1 van de grondwet: O God, er is geen God

Ik ben een telg uit een oud maar onaanzienlijk geslacht van vrijdenkers. Mijn grootvader wat een volgeling van Domela Nieuwenhuis. Mijn vader, geboren in 1891, is niet gedoopt. Zijn oudere broers zijn dat evenmin. Door deze achtergrond had ik nooit `een rekening te vereffen' met kerk of godsdienst. Tegenover het verschijnsel geloof tracht ik tolerant en mild te zijn.

De hoon waarmee premier Balkenende werd overladen toen hij over ,,christelijk-joodse wortels'' van Europa sprak (zie E. Voogd in de bijlage Opinie & Debat, 27 dec) is mij dan ook geheel vreemd.

Het lijkt mij beter om, als men in het kader van normen en waarden wil praten over godsdienstige wortels, eerst de vraag te stellen of God in de Nederlandse grondwet thuis hoort. Als verdraagzaam humanist wil ik deze kwestie vanuit een welwillende grondhouding benaderen. De vragen zijn dan: Waar moet God vermeld worden? En hoe? In welke bewoordingen?

Waar? Ik denk aan een nieuw te redigeren artikel 1 lid 1 van de grondwet, waarin sprake is van God.

Hoe? Als buitenstaander van de drie monotheïstische godsdiensten vind ik de geloofsbelijdenis van de islam het helderst en zuiverst geformuleerd. ,,Er is geen God dan God alleen.'' Zeven woorden, meer niet.

Natuurlijk kunnen wij deze zeven woorden niet zomaar in de grondwet opnemen. Dan zouden we een islamitische staat worden en dat wil zelfs de overgrote meerderheid van de Nederlandse moslims beslist niet. Bovendien, en dat is nog evidenter, zou het in strijd zijn met ons geliefde poldermodel, waarbij wij tot consensus komen door te geven en nemen. Welnu, van de zeven woorden wil ik er vier geven en de drie laatste nemen. Mij dunkt een royaal aanbod voor een vrijdenker.

Artikel 1 lid 1 van de grondwet luidt: ,,Er is geen God.''

Lid 2 kan vervolgens stellen: ,,Iedereen die er anders over denkt moet dat maar voor zichzelf weten. Zolang hij anderen maar niet lastig valt met zijn opvattingen en geen speciale morele of materiële positie verlangt voor zichzelf of voor zijn organisatie.''

Bijna iedereen in Nederland moet zich in dit artikel kunnen vinden.

Het zal de meerderheid van het volk een zorg zijn of er een God bestaat of niet. Zij zullen geen problemen hebben met lid 1. Zij die wel in God geloven kunnen zelfs in hun nopjes zijn. Ook al wordt zijn bestaan ontkend, God wordt toch maar mooi genoemd in lid 1 van artikel 1. En wel als enige. Een unieke positie! Een beetje theoloog zal er een godsbewijs in zien. Als God wordt ontkend, is hij indenkbaar. Als God denkbaar is, kan je in hem geloven. Als je in God gelooft, dan is hij er! Toegegeven, het is een bewijs uit het ongerijmde en het rammelt aan alle kanten. Maar dat geldt voor alle godsbewijzen. De meeste zijn zelfs een stuk ongerijmder dan het mijne. En ze rammelen harder.

En dan is er nog iets...

`Er is geen God' zijn ook de laatste vier woorden van de slotzin van één van de hoogtepunten uit de Nederlandse literatuur. De slotzin van Multatuli's Het gebed van den onwetende (1861) luidt: ,,De vader zwygt...0 God, er is geen God.''

Dit geschrift is zowel door ongelovigen als gelovigen hogelijk geprezen. Ongelovigen hebben het ontelbaar vaak afgedrukt, gelezen, geciteerd en gedeclameerd. Voor gelovigen van allerlei richtingen is Het gebed niet minder dierbaar. Zij hebben in de onwetende de Godzoeker gevonden. Vanuit hun geloof een interpretatie waarmee men het oneens kan zijn, maar die niet rammelt.

Mocht vanuit het CDA opnieuw gezeurd worden over christelijke en joodse wortels van Europa of Nederland, dan stel ik in alle ernst voor om ,,O God, er is geen God'' als artikel 1 lid 1 in de grondwet op te nemen, uiteraard met bronvermelding. Ik wil daarvoor drie argumenten aanvoeren.

Ten eerste. Ik denk dat geen enkele grondwet met een belangrijk citaat uit de cultuur van het eigen land begint. Een goede reden om dat wel te doen.

Het tweede en voornaamste argument: het citaat weerspiegelt het onmiskenbare feit dat de Nederlandse natie en beschaving, ja, de Nederlandse identiteit, voor een groot deel is gevormd in een geestelijke worsteling over, rond, voor en tegen God; een worsteling die nog steeds actueel is.

Ten derde is de uitspraak van Multatuli een mooi tegenwicht en prima tegengif tegen allen die menen dat zij God of de waarheid in hun broekzak of in hun portemonnee hebben zitten. En tegen alle arrogantie van de macht.

Oud-medewerker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Schrijver van diverse artikelen over anarchisme en auteur van `De Spaanse Burgeroorlog' (1963).