Uitgegumd

Bulldozers egaliseren de hoogteverschillen in het landschap om grond bouwrijp te maken. Daardoor wordt het geschiedenisboek van de geoloog, met verhalen over oprukkend landijs en koude poolwinden, steeds minder goed leesbaar.

HET REFERENDUM over woningbouw op de Steenwijker Kamp gaat niet door, zo besloot burgemeester Apotheker, voormalig landbouwminister, enkele weken geleden. Maar de omwonenden die bezwaar maakten tegen de bouw van 540 woningen op de stuwwalboog waar ze nu over uitkijken, geven hun verzet niet op. ``We vechten door, desnoods tot de Kroon'', tekent een lokale krant op uit de mond van een woordvoerder.

De Steenwijkse stuwwalboog is ontstaan tijdens het Saalien, de voorlaatste ijstijd, toen uit het noorden oprukkend landijs als een knedende handpalm de plaatselijke zandbodem voor zich uit duwde. Na het smelten van de ijslob bleef het opgestuwde zand als een tien meter hoge boog in het landschap liggen. Een volgende ijstong `overreed' de stuwwal en legde er en passant een laag keileem bovenop. In het Weichselien, de laatste ijstijd, deponeerden koude poolwinden manshoge `dekzandkopjes' bovenop de rug, die nu steil oprijst uit het vlakke veenlandschap. Op de flank van de stuwwal ligt de stad Steenwijk, de grootste groeikern in gemeente Steenwijkerland.

``Er is in Nederland verbazingwekkend veel reliëf, meer dan de meeste mensen denken'', zegt Arjan Koomen van Alterra, het kennisinstituut voor de groene ruimte. Voortbouwend op het werk van de Stichting Bodem Kartering en de Rijks Geologische Dienst, nu onderdeel van TNO, bracht hij de afgelopen zeven jaar de landschapsvormen van Nederland in kaart. Het resultaat, de Geomorfologische Kaart van Nederland, overhandigde hij op 27 november aan het Ministerie van LNV.

dekzandruggen

Met zijn uitspraak doelt Koomen niet alleen op de honderden meters hoge heuvels in Limburg en de stuwwal van de Veluwe, maar ook op het kleinschalige reliëf dat enkele decimeters tot meters boven de omgeving uit torent: dekzandruggen op de hoge zandgronden en rivierduinen in het laagland tussen Maas en Rijn. ``Dat zijn in het veld herkenbare restanten van natuurlijke processen onder invloed van wind, ijs en water'', zegt Koomen. ``Ze helpen ons het ontstaan van het landschap te begrijpen.''

Zo zijn de bulten in de A15 bij Ridderkerk, die auto's doen opveren alsof ze een drempel passeren, in werkelijkheid kreekruggen. Door inpoldering zijn deze voormalige getijdegeulen – vergelijkbaar met die in de Waddenzee – drooggevallen. Toen de zeeklei ernaast door ontwatering inklonk, bleef de zandige geul als zogeheten `kreekrug' in het landschap achter. ``Deze omkering van het reliëf'', aldus Koomen, ``is kenmerkend voor het internationaal zeer zeldzame polderlandschap van West-Nederland.''

Op de vloer van haar werkkamer in Wageningen ontvouwt landschapsecoloog Hanneke van den Ancker een geologische kaart van Europa. ``Stuwwallen uit het Weichselien zijn er in overvloed'', zegt ze terwijl haar vingers een boog beschrijven van Denemarken, via Hamburg en Dresden, naar Warschau. ``Maar die uit het Saalien liggen vrijwel allemaal in Nederland.'' Bekend uit de aardrijkskundeles is bij velen de stuwwalboog van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe, die het tongbekken van de Gelderse Vallei omsluit. Tientallen meters hoog markeert die rug de zuidgrens van het landijs. De Steenwijker Kamp is het kleine broertje van deze zandgigant en is exemplarisch voor een tussenfase in de ijsuitbreiding tijdens het Saalien. ``Bebouw je de Kamp, dan zijn de bewoners hun uitzicht kwijt en verdwijnen de dekzandkopjes op de stuwwal voorgoed. Een platte pannenkoek is alles wat overblijft van dit werelderfgoed'', aldus Hanneke van den Ancker, die als voorzitter van de Werkgroep Aardkundige Waarden de protesterende Steenwijkers adviseerde.

``Een kwart van het natuurlijk reliëf hebben we de afgelopen decennia geëgaliseerd'', berekende Koomen met zijn kaart, ``en van het restant heeft slechts tien à twintig procent een beschermde status.'' Het grote vergraven kende een hoogtepunt in de jaren zeventig, de tijd van de ruilverkavelingen. ``De Vier Noorderkoggen'', herinnert Koomen zich de alleen per boot bereikbare polder uit zijn jeugd, ``is toen van een vaarpolder veranderd in een rijpolder. De kreekruggen in het oude, agrarische landschap van West-Friesland zijn daarbij letterlijk uitgegumd.''

Rond 1850 was al een begin gemaakt met het afgraven van de strandwallen van Noord- en Zuid-Holland, aldus Wim de Gans van Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO. ``Voorzover er geen steden op zijn gebouwd is er niets meer over van de driehonderd kilometer strandwal langs de Hollandse kust'', verzucht hij. ``Jammer, want die markante, lange wallen vertelden het verhaal van de snelle kustuitbouw tussen drieduizend en tweeduizend voor Christus, toen de zee zand naar de kust bracht in plaats van andersom, zoals nu.'' De wetenschap dat Alkmaar en Haarlem op oude strandwallen zijn gebouwd spreekt volgens De Gans minder tot de verbeelding dan de aanblik van een tien meter hoge rug in het vlakke polderland. De laatste onbebouwde strandwal, die van Spaarnwoude, is inmiddels zo bijzonder dat de provincie Noord-Holland er vorig jaar een heus Aardkundig Monument van maakte.

Om Vinex-wijken en spoorlijnen aan te leggen neemt Nederland per dag vijfendertig hectare grond in gebruik, waarvan er tien aardkundig waardevol zijn, aldus berekeningen van Alterra. Gaan we nog honderd jaar in dit tempo door, dan blijft maar 30 procent van het natuurlijk reliëf over. Ook al is dat nog niet altijd het geval, de Ecologische Hoofdstructuur zou ook het microreliëf van oeverwallen en dekzandkopjes moeten beschermen, vindt Koomen. Hij maakt zich vooral zorgen over het reliëf buiten de Veluwe, het Mergelland en het Rivierengebied. ``Door de snelheid en de schaal van het graafwerk komt het point of no return in West-Nederland dichtbij. Zelfs de laatste kreekrug moet straks wijken voor de uitdijende Randstad.''

top 50

Dat het moeilijker is een honderdvijftigduizend jaar oude zandrug te beschermen dan een zeggekorfslak of kamsalamander, ondervonden de protesterende bewoners in Steenwijk. Zelfs de beschermde status van de stuwwal in het bestemmingsplan was onvoldoende om de bouwplannen tegen te houden. Wim de Gans van TNO denkt dan ook dat geologen eieren voor hun geld moeten kiezen. ``Probeer niet elke stuwwal te beschermen, we moeten ten slotte ergens wonen en werken.'' Hij ziet meer in een onafhankelijke lijst met unieke landschapsvormen, een top-50 van het natuurlijk reliëf. ``Wijs bijzondere gebieden aan, ompaal ze en blijf er verder van af.'' In de jaren tachtig zijn de honderd aardkundig waardevolste gebieden al eens beschreven in het boek Nederland in vorm, maar wettelijke status kregen ze niet.

Arjan Koomen van Alterra twijfelt aan het nut van lijstjes met bijzondere landschapsvormen. ``Daardoor houdt je straks een museumlandschap over met hier en daar een anecdotisch hoekje, alsof je een oude schoolkaart conserveert.'' Liever gaat hij een stap verder. ``Neem het reliëf ook mee bij de inrichting en herinrichting van landschappen. Stop een beekdal niet weg in een betonnen goot, maar laat hem als een groene strook door een woonwijk slingeren.'' Hoe het niet moet illustreert hij met een voorbeeld uit eigen omgeving. ``Na veel graafwerk en grondverzet is op een bedrijventerrein tussen Ede en Veenendaal een weg op een hoge rug gelegd. Voor het benodigde zand hebben ze eerst een dekzandrug afgegraven. Leg die weg daar dan op!'', zegt hij verontwaardigd. ``Die weg is dan niet kaarsrecht, maar het werk van de wind blijft wel in het landschap herkenbaar.''