Tussen hoop en vrees

Afghanistan lijkt op een diepe en bijna niet te genezen wond. In Afghanistan werd in de jaren '80 het ideologische conflict van de westerse wereld uitgevochten. Daardoor werd Afghanistan in toenemende mate een gewelddadig en onbeheersbaar gebied. De Amerikanen, Britten en andere Europeanen, Saoediërs, Pakistani's, Egyptenaren, Somaliërs, Iraniërs vochten er tegen het Sovjetleger. Inzet was het verdrijven en vernederen van de Sovjet-Unie, niet de vrijheid en het welzijn van de Afghanen. Dit militaire conflict mondde uit in een apocalyptische burgeroorlog, die in de jaren '90 leidde tot de vestiging van het Al-Qaeda-Talibaan regime. Het is, met honderdduizenden doden, bijna onwelvoeglijk de omvang van deze catastrofe in getallen uit te drukken.

De gevolgen van de Afghaanse tragedie werden ten slotte ook op het Russische en Westerse grondgebied voelbaar, in New York en Tsjetsjenië. Het doel, vernietiging van de rode vijand, verblindde de Amerikanen voor de onbedoelde monsters die ze aan het kweken waren. Ook filosofen raakten het spoor bijster. Zo schreef de Franse politiek-filosoof Claude Lefort, ondanks zijn buitengewone scherpzinnigheid, in L'invention démocratique (1981): ,,Het zou van de westerse burgers een niet geringe inspanning vragen om zich te realiseren dat het Afghaans verzet iets van zijn vrijheid verdedigt en dat Praag, Warschau en Boedapest behoren tot dezelfde civilisatieregio als Parijs, Rome en Londen.''

Maar het Afghaanse verzet van toen werd voornamelijk geleid door de mensen als Gulbuddin Hekmatyar (hij staat nu op de lijst van internationale terroristen en leidt het huidige Afghaanse verzet tegen de VN en NAVO); een paar drugsbaronnen, onder anderen de heer Gilani; Osama Bin Laden en Al-Zawaheri van Al-Qaeda en andere wereldwijde jihadstrijders. Bovendien kan Kabul niet in één adem genoemd worden met Praag en Parijs. Afghanistan behoort niet tot dezelfde civilisatieregio, want er wordt in die regio nog steeds strijd gevoerd voor het bereiken van het Europese civilisatieniveau.

Gedurende de oorlog tegen de Sovjet-Unie heeft het Westen, zonder zich dat te realiseren, ruimte gecreëerd voor de Internationale Jihad. Maar uiteindelijk is de huidige ellende in Afghanistan te wijten aan de politieke islam, en niet aan het Westen. De goede bedoelingen van het Westen in de strijd tegen de sovjetbezetter zijn misbruikt voor het bevorderen van het islamitische terrorisme.

Hierover valt Lefort en de Amerikaanse beleidsmedewerkers geen verwijt te maken. Ze wisten immers niets of nauwelijks iets over de politieke islam. De meeste westerse islamologen en Arabisten hebben decennia lang in een roes van politieke correctheid couscous zitten eten met de oriëntale oplichters, en geen enkel kritische analyse gemaakt van de ontwikkelingen van de islam en de politieke islam.

Gelukkig is Afghanistan intussen verlost van het islamitische schrikbewind. Het land heeft een nieuwe grondwet gekregen, na lange, felle en emotionele debatten in de loya jirga (de grote vergadering). Die gingen ook over de werkwijze en de samenstelling van de loya jirga op zich. Vooral de krijgsheren die door de president als afgevaardigden waren benoemd, de leiders van de voormalige Afghaanse mujahedeen, probeerden telkens andersdenkenden en etnische minderheden te intimideren. En tot ontsteltenis van de Afghaanse bevolking en sommige van haar gekozen vertegenwoordigers in de loya jirga werd een aantal van deze krijgsheren benoemd tot voorzitter van de commissies die de verschillende hoofdstukken van de grondwet moesten vaststellen. De krijgsheer Mudjadedie werd zelfs voorzitter van de loya jirga.

In de vierde zitting van de loya jirga protesteerde mevrouw Malalai Joya, een jonge afgevaardigde uit de provincie Fara, tegen de nadrukkelijke aanwezigheid en macht van de jihadistische krijgsheren. Met een trillende stem zei mevrouw Joya dat de personen die zoveel bloedbaden hebben aangericht in Afghanistan, en die ook niet door het volk gekozen zijn, geen recht hebben om een nieuwe grondwet op te stellen. Ze vervolgde dat deze krijgsheren eigenlijk voor een internationaal straftribunaal moeten verschijnen, wegens misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven. Joya werd luidruchtig uitgescholden als een linkse kafier, een ongelovige een zeer bedreigende term. Het werd rumoerig, en de voorzitter beval de arrestatie en de verwijdering van de afgevaardigde Joya. Zij heeft niet meer kunnen deelnemen aan de vergaderingen en moest, als een Afghaanse Hirsi Ali, letterlijk beschermd worden door vertegenwoordigers van de VN.

De krijgsheren in de loya jirga wilden ook een constitutioneel hof waarin zijzelf zitting zouden nemen teneinde het islamitische gehalte van de toekomstige wetten te toetsen. Zo'n hof komt er niet, maar wel een adviserende raad.

De toekomstige naam van het land was ook een probleem. Moest Afghanistan islamitische republiek heten? Neen, volgens 150 afgevaardigden, maar hun motie werd door de voorzitter niet in stemming gebracht. De Kabulse krant Anis schreef woedend: ,,We moeten hopen dat de toekomstige grondwet democratischer wordt uitgevoerd dan de manier waarop ze tot stand is gekomen.''

In de grondwet staat een aantal bepalingen die onderling tegenstrijdig zijn. De president moet moslim zijn, de wetten mogen niet strijdig zijn met de islam, en politieke partijen die in strijd met de islam zijn, mogen niet worden opgericht (er mogen dus geen linkse of liberale partijen worden opgericht). Die bepalingen kunnen botsen met het discriminatieverbod en het gelijkheidsgebod, het onschuldbeginsel in het strafrecht, het verbod op foltering en de openbaarheid van rechtspraak. Verder komen in de teksten in Pashtun en Dari (de twee grondwettelijke talen van Afghanistan) woorden voor die overeenkomen met `sharia'. Zo wordt in artikel 131 sjiieten het recht toegekend om ,,in persoonlijke zaken'' volgens hun sharia berecht te worden. Soennieten hebben een vergelijkbaar recht.

Wie bepaalt nu wat de grondwettelijke islam is? Hoe zou het verbod op mensonwaardige straffen te rijmen zijn met het islamitische strafrecht? Hoe zou het gelijkheidsbeginsel in geval van vrouwen te verenigen zijn met het islamitische familierecht? Dit zijn de vragen die Afghanen zelf stellen in gesprekken met de BBC en in de Afghaanse kranten.

Ondanks alles is Afghanistan aan het democratiseren. Als de internationale troepenmacht de krijgsheren hun macht weet af te nemen, én als het centrale gezag in heel Afghanistan wordt hersteld, is niet ondenkbaar dat de Afghanen deze grondwettelijke tegenstellingen zouden kunnen overwinnen. Tot dat moment leven de Afghanen tussen hoop en vrees.