Slagwerk maakt meer los dan je denkt

Japanners lijken op een zwoele zomernacht net swingende Afrikanen. Op Sado deint iedereen mee op een eeuwig voortdurend ritme.

Japanners zijn eigenlijk Afrikanen. Of andersom. Tijdens een zwoele zomernacht in 2003 versmolten Japan en Afrika op het eiland Sado. Slagwerk bleek universeel bij een concert van de slagwerkgroepen Badenya les Frères Coulibaly uit Burkina Faso en Kodo uit Japan.

Kodo – letterlijk `Kinderen van de Drum' – is een fenomeen. De groep heeft het slagwerk dat al eeuwenlang bij religieuze festivals Japanners opzweept, omgevormd tot muziek die internationale podia heeft veroverd. Van de Carnegie Hall in New York tot de Acropolis in Athene. Kodo heeft ook Nederland meerdere malen aangedaan.

Thuisbasis van Kodo is het eiland Sado in de Japanse Zee. Het is een buitengewest met vrieskoude winters dat in de Japanse geschiedenis vooral naam heeft gemaakt als verbanningsoord. Keizer Juntoku en de religieuze leider Nichiren, stichter van de gelijknamige boeddhistische school, verbleven hier in de dertiende eeuw. Rond 1400 volgde de grote toneelspeler en -schrijver Zeami, een van de belangrijkste figuren in het ontstaan van het noh theater. Tempels, 32 noh podia, geografische namen en de grafheuvel van Juntoku houden de herinnering levend.

Elke zomer organiseert Kodo hier het Earth Celebration Festival. Drie dagen lang klinken de drums, taiko, door de straten van het vissersdorp Ogi op de zuidelijke punt van het eiland. In de schaduw van oude bomen vinden luisteraars een plek tussen oude gedenkstenen op het voorterrein van de Kizaki Jinja, een shinto-tempel gewijd aan de beschermgoden voor zeevaarders, waar een van de podia is neergezet. Een passender plaats is er niet, want taiko begeleiden vanouds de feesten ter ere van wilde goden uit de almachtige natuur. Daarentegen past bij de `eeuwige waarheid van Boeddha' beter het ijle geluid van een bamboefluit, dat op een middag vanaf de galerij van de boeddhistische tempel Kozenji klinkt.

Op een namiddag zetten de dorpelingen de hoofdstraat af om de lokale dans te leren aan iedereen die maar mee wil doen. Dus dansen enkele honderden vreemdelingen in een ganzenpas achter elkaar aan op een eeuwig voortklinkend ritme, terwijl de slijter tot middernacht open blijft voor hen die gebrek aan inspiratie hebben. De haven is een vrijmarkt voor zelfgemaakte sieraden, kleding en culinair huiswerk. Armlastigen kamperen vrij in het plantsoen nabij. 's Avonds verzamelt iedereen zich voor het openluchtpodium op de heuvel waar vroeger het kasteel van de lokale heer stond. De avonden zijn voor Kodo en de hoofdgast van het festival. Dit jaar Badenya les Frères Coulibaly.

Na een lange eerste dag verzamelt een groepje die-hards zich tegen middernacht in een dorpszaaltje voor een lezing van Michiko Chida, lid van Kodo. Zij vertelt hoe ze als kind in de grote stad opgroeide en, zoals gebruikelijk als jong meisje van goede familie, piano leerde spelen. Ze had geen enkele band met eigen, Japanse tradities. Bij een toevallige kennismaking met Kodo was ze verrast en aangetrokken door de energie en lichamelijkheid. Vooral de dans intrigeerde haar.

In 1989 werd ze zelf lid van Kodo. ,,Maar ik was slechts bezig met kopiëren en had geen enkel zelfvertrouwen'', zegt Chida, want de oorsprong van allerlei dansen was haar onbekend. Het was het begin van een zoektocht naar de wortels van de eigen Japanse beschaving. Chida stopte in 1995 met optredens en werd voltijd documentaliste van de groep, nu bezig met het aanleggen van een bibliotheek met beeld, muziek en tekst over Japanse volksmuziek en dans.

In het contact met de eigen geschiedenis ligt ook de reden dat de eerste leden van Kodo (al was de naam toen anders) rond 1970 op Sado neerstreken. Gelegen in de periferie is op Sado nog veel bewaard wat elders is verdwenen. Sado staat bekend als het eiland van de `duivelstrommels', ofwel de ondeko. Elk dorp heeft z'n eigen groep `duivelsdrummers' die hun kunsten één keer per jaar uitvoeren om de kwade geesten het dorp uit te jagen.

Dus neem ik op een ochtend met een dertigtal mensen deel aan een les duivelsdrummen, gegeven door één van de vele groepen op het eiland. Centraal in de ondeko staat de dans van een kwade geest zelf. De beste manier om een kwade geest weg te jagen is het inhuren van een andere kwade geest, zal de gedachte zijn geweest. Al zegt een jonger lid van onze instructeurs dat het toch ,,vooral vermaak'' is. In twee uur tijd leren wij de basis. Hoekige bewegingen van hoog geheven benen, afgewisseld met elegante armzwaaien. Veelbetekenende poses, afgewisseld met woest zwaaien met het hoofd dat is getooid met een woest uitziend, houten duivelsmasker met een meterlange pruik.

,,De kwaliteit van onze muziek wordt beter door het in de oorspronkelijke omgeving te leren, daar met mensen te praten en de geuren te ruiken'', zegt Yoshikazu Fujimoto, het oudste lid van Kodo die al in 1972 op Sado terechtkwam. Dat wil echter niet zeggen dat hij tradities wil bevriezen. ,,Er zijn raakpunten'' tussen het werk van Kodo en lokale tradities, ,,maar ook verschillen.'' Ook meent hij dat het werk van Kodo niet betekenisloos wordt of zelfs verdwijnt als het referentiekader van lokale tradities verdwijnt. ,,Wellicht wordt Kodo zelf eens de traditie.''

In de tussentijd leren generaties jonge Japanners via Kodo over de tradities van hun eigen land. Met zijn honkvastheid is veteraan Fujimoto een uitzondering onder de 24 leden van de groep. De groep is een doorgangshuis met een ijzersterke formule. Het merendeel van de huidige leden is er de afgelopen tien jaar bijgekomen, afkomstig van de eigen tweejarige opleiding. De 28-jarige Gen Matsui is een van de huidige leerlingen. Na een managementstudie aan de universiteit besloot hij dat hij toch beter kon proberen van zijn hobby - de taiko - zijn werk te maken. Met acht anderen kwam hij door de selectie. Zijn dagen besteed hij nu niet alleen aan muziek, maar ook aan rijstbouw op volledig ouderwetse wijze, zonder gebruik van machines. ,,Omdat de traditionele zang en dans veel lichaamshoudingen kent die voortkomen uit de rijstbouw'', legt Matsui uit.

Ook bezoekers van het festival hervinden gevoelens die het moderne leven in de grote stad nauwelijks meer biedt: warmte en vertrouwen. Aan de grote ontbijttafel in mijn pension raken onbekenden onmiddellijk met elkaar in gesprek. Iedereen komt met hetzelfde doel - sommigen al jaren achtereen.

Op maandagochtend is het feest voorbij. In de haven van Ogi loopt de eerste veerboot weer vol met festivalgangers die terugmoeten naar het vaste land, terug naar kantoor en dagelijkse beslommeringen. Een vrachtwagen arriveert op de kade. Snel lossen leden van Kodo een reeks taiko. Terwijl het schip zich langzaam losmaakt van de kade speelt Kodo erop los, alsof het slotconcert van de voorgaande avond nog een encore verdiende. Wij op het schip zijn emigranten die het moederland verlaten. Tranen twinkelen in de ogen van sommige vrouwelijke passagiers, zwaaiend aan de reling. Volgend jaar kom ik terug, denk ik, terwijl de drumklanken verwaaien over zee.