Sensatie in beeld

De eerste films hadden een collage-achtige structuur, waaruit iedere toeschouwer zijn eigen verhaallijn kon construeren. `Het was meer tonen dan vertellen', zegt Nanna Verhoeff, die promoveerde op een studie naar vroege westerns.

DE ARCHIEVEN van het Nederlands Filmmuseum bevatten veel films uit de beginjaren van de cinematografie. Zo is er bijvoorbeeld de unieke collectie van filmvertoner en distributeur Jean Desmet, die negenhonderd films omvat uit de periode 1909-1914, waaronder Italiaanse melodrama's, Deense films over blanke slavinnen, documentaire-achtige filmpjes, maar ook een aantal heel vroege Amerikaanse films die gesitueerd zijn in het (Wilde) Westen.

``Sommige daarvan zijn duidelijk westerns'', zegt Nanna Verhoeff. ``Maar er zitten ook films tussen die wel met het Westen te maken hebben, maar helemaal niet op klassieke westerns lijken. Het Filmmuseum wist niet zo goed wat ze daarmee aan moesten. Ze hadden het gevoel dat er interessante films tussen zitten, maar zo konden het moeilijk plaatsen. Dus zochten ze iemand die ernaar wilde kijken.''

Verhoeff promoveerde cum laude op een studie naar westerns die gemaakt zijn tussen 1894, het jaar waarin Edison in Amerika de eerste bewegende beelden vervaardigde, en 1915, het jaar waarin de lange speelfilm zijn intrede deed. Ze was er vijf jaar mee bezig en schat dat ze tussen de vier- en zeshonderd films gezien heeft niet alleen in het Filmmuseum, maar ook in de Library of Congres in Washington. Haar onderzoeksobject varieerde van `one-shot-movies' uit de eerste jaren van de film tot speelfilmpjes van tien à twintig minuten die rond 1914 gangbaar waren.

``Het eerste wat je moet afleren als je naar deze films kijkt, is om ze als primitief te zien'', zegt Verhoeff. Neem bijvoorbeeld het ongeïdentificeerde, anonieme filmpje (of filmfragment, dat is niet duidelijk) dat in de catalogus van het Filmmuseum vermeld staat als Bits & pieces,319 en dat twintig seconden duurt. We zien twee stilstaande locomotieven, daarna een grote tribune met publiek. Vervolgens rijden de locomotieven in volle vaart op elkaar in, ze knallen op elkaar, de stukken vliegen in het rond. In een laatste shot worden de smeulende resten van het treinmaterieel getoond, en mensen die ernaar staan te kijken.

``Vind je dat primitief?'' zegt Verhoeff. ``Het is in ieder geval heel effectief. Het is een kale registratie van een stunt. Zelfs als je er nu naar kijkt, is het nog altijd heel spectaculair. En het is ook: echt. Deze film toont iets dat werkelijk heeft plaatsgevonden, is daar als het ware het bewijs van. Uit de aanwezigheid van het publiek kunnen we opmaken dat het een feestelijke gebeurtenis was: men had plezier. Je kunt de special effects of de narratieve structuur van dit filmpje primitief vinden, maar dat is heel erg geredeneerd vanuit het nu, vanuit de ontwikkeling die naderhand heeft plaatsgevonden. Je kunt ook zeggen: in die vroege films was men bezig met andere dingen. Zo bekeken hebben deze films nog iets wat daarna is verdwenen.''

Visuele attracties

Wat was dat `iets'? De Amerikaanse filmhistoricus Tom Gunning heeft daar een term voor bedacht: de `cinema of attractions'. Verhoeff: ``In vroege films draait het om visuele attracties. Die worden op een bijna ongemedieerde manier getoond. Het genot dat beleefd wordt aan het kijken naar beelden, daar draait het om. Zodra de films wat langer worden en een verhaal proberen te vertellen, zie je dat ze aanvankelijk nog de neiging hebben om van attractie naar attractie springen. Later gaat dat aspect van film onder water, de visuele attracties worden dan opgenomen in narratieve structuren, die steeds langer en complexer worden. Ze vormen niet meer de essentie van film.''

Sinds eind jaren zeventig wordt de vroege film enthousiast bestudeerd door een handjevol gespecialiseerde filmwetenschappers. Die hebben veel geschreven over de narratieve structuur van die films, en hoe zich daaruit de klassieke Hollywood-narratie ontwikkeld heeft.

Rond de eeuwwisseling waren er alleen one-shot-movies, die uit één beeld bestonden van tien à twintig seconden: twee acteurs die elkaar kussen en knuffelen, een trein die op het publiek lijkt in de rijden, Sioux-indianen die een `Ghost Dance' opvoeren, een vrouw die onthoofd wordt. Maar ook beelden van mensen die in een bekende wereldstad over straat lopen, vond men al heel opwindend.

Al heel vroeg werd de phantom ride ontdekt. De camera werd op een trein gezet en terwijl de trein reed, filmde de camera het landschap. Rond 1900 zijn er een heleboel van dergelijke filmpjes gemaakt. ``Het zijn heel pure films'', zegt Verhoeff. ``Ze laten de essentie van het filmen zien. Een camera op een trein, dat is beweging in het kwadraat: niet alleen de beweging laten zien, maar ook het beeld dynamisch laten zijn. Tegelijkertijd is het een heel nieuwe manier om een landschap in beeld te brengen.''

Uit de beelden van de one-shot-movies ontstaan later kleine verhaaltjes. In 1898 filmde Edison een trein die een tunnel inreed en er weer uitkwam. In 1903 gebruikte hij hetzelfde gegeven voor een filmpje van één minuut: we zien een treincoupé, een man maakt een vrouw het hof, de trein verdwijnt in een tunnel waardoor het beeld donker wordt, als de trein er weer uitkomt omhelst de man een lelijke zwarte dienstbode in plaats van de mooie welgestelde vrouw. Dit alles in één shot. Het trein-in-de-tunnel-motief zal daarna eindeloos vaak, tot op de dag van vandaag, in allerlei variaties in films blijven opduiken.

De phantom ride wordt ook zo'n klassiek verhalend element: een manier om een landschap te introduceren, of: om aan te geven (en voelbaar te maken) dat de hoofdpersoon op reis is. Er zijn ook allerlei andere toepassingen mogelijk, zoals: de camera draait naar rechts en we zien bandieten te paard die met de trein meerijden. Of: vanaf de voortdenderende trein is, in de verte, iemand te zien die op de rails is vastgebonden. Al deze variaties duiken al heel vroeg op in western-achtige filmpjes, zoals die rond 1910 gemaakt werden.

Verhoeff besteedt in haar dissertatie veel aandacht aan treinscènes. Treinen speelden een belangrijke rol in de ontsluiting van het Westen, en treinscènes zijn heel geschikt voor het oproepen van emoties: spanning, opwinding, een gevoel van vrijheid. Niet voor niets is de eerste officiële western een film rondom een trein: The Great Train Robbery, in 1903 gemaakt door Edwin S. Portner. Het is trouwens ook de eerste langere gemonteerde speelfilm, hij duurt 12 minuten. Aan de hand van veertien shots wordt het verhaal van een treinoverval verteld. Daarbij worden elementen die al in de one-shot-movies ontwikkeld waren op een slimme manier met elkaar gecombineerd: melodramatische scènes, treinscènes, een phantom ride, een vaudeville-achtig dansje, een achtervolgingsscène.

``Films werden in die tijd ook nog heel anders gemonteerd'', zegt Verhoeff. ``Je ziet bijvoorbeeld een mannetje door een raam naar binnen gaan. Het volgende shot is binnen in dat huis: en je ziet het mannetje opnieuw door het raam naar binnen komen. Hij klimt dus twee keer door het raam. De klassieke montage, waarbij er in die beelden gesneden wordt, zodat er een soort continuïteit ontstaat, dat kenden ze toen nog niet.''

collageDe narratieve structuur van de vroege film berust volgens Verhoeff nog niet zo sterk op montage-principes (zoals continuïteit), maar meer op wat zij `collage' noemt: het achter elkaar plakken van tamelijk autonome beelden.

``Er zijn al heel vroeg verfilmingen gemaakt van De Negerhut van Oom Tom of Shakespeare. In die films, van hooguit tien minuten, werden alleen de belangrijkste scènes getoond. Het verhaal werd bekend verondersteld. Het was niet zozeer: overtuigt deze film als vertelling? Maar meer: o kijk, een aantal scènes uit dat verhaal dat we allemaal kennen. Het is meer tonen dan vertellen.''

Verhoeff heeft een periode bestudeerd die precies rond die overgang zit: van films die iets tonen naar films die een verhaal vertellen. ``Binnen sommige films zijn de overgangen tussen tonen en vertellen nog heel abrupt'', zegt ze. Een bekend voorbeeld hiervan is te zien in The Great Train Robbery. Deze film sluit af met een close-up van een bandiet die op het publiek schiet. Een voor die tijd spectaculair shot, dat buiten het verhaal staat. Dit beeld verhoudt zich tot de rest van de film zoals een boekomslag zich tot de inhoud van een boek verhoudt.

Er zijn ook kopieën overgeleverd waarin de op het publiek vurende bandiet de film opent. Verhoeff: ``Vaak kregen de filmvertoners alleen maar de stroken, de shots, en moesten ze zelf een volgorde aanbrengen, soms met een handleiding erbij. Daar werd natuurlijk erg creatief mee omgegaan. Bovendien moet je je realiseren dat deze films nooit alleen werden vertoond, maar altijd onderdeel waren van een heel gevarieerd programma. Soms waren er ook live-optredens tussendoor. De collage-achtige structuur van die programma's vind je ook terug in de films zelf. De narratieve lijn die je als toeschouwer maakt, is niet sec in die beelden aanwezig. Die maak je zelf, door de associaties die ieder afzonderlijk beeld bij je oproept. Die associaties neem je mee van het ene beeld naar het andere.''

Een ander belangrijk verschil met nu is dat film in het begin van de vorige eeuw nog een `actualiteitsmedium' was. ``De camera werd nog echt gezien als een machine waarmee je de werkelijkheid kon vastleggen. Op het moment dat films zich gaan bezighouden met verhalen, met fictie, krijg je dus een zekere spanning tussen die actualiteitslaag en het fictionele. Dat is zeker bij westerns heel intrigerend, omdat daarin een verleden in beeld wordt gebracht, dat nog gevoeld werd als een soort heden.''

Gezinnen

De frontier, het idee dat er een geleidelijk naar het Westen opschuivende grens was tussen het beschaafde Oosten en het avontuurlijke Westen, werd pas in 1890 officieel verlaten. Daarmee valt het einde van het Wilde Westen bijna samen met het begin van de filmgeschiedenis. De vroege westerns staan dus nog heel dicht bij dit verleden. Ze lijken nauwelijks of niet op de klassieke cowboyfilms uit de jaren dertig, veertig en vijftig. Ze vormen een bonte verzameling van actiefilms en melodrama's, niet zozeer met eenzame helden, maar met gezinnen en families.

Buffalo Bill's Wild West Parade, een primitieve documentaire gemaakt in 1902, is een van Verhoeff's favorieten. In dit filmpje van veertig seconden zien we hoe het Wild West-circus van Buffalo Bill door de straten van New York trekt. Allerlei mannen en jongens (en een enkele vrouw) lopen opgetogen mee met een lange stoet die bestaat uit indianen, cowboys, cavalleristen, een huifkar en een postkoets. Verhoeff: ``Wat wordt er getoond? Niet zozeer Buffalo Bill, als wel de komst in de stad van die man, en vooral ook hoe de hele stad uitloopt om naar die optocht te kijken. Het wordt in beeld gebracht als een feestelijke en opwindende gebeurtenis.''

Cinema of attractions dus. Maar wat is hier precies de attractie? ``Buffalo Bill was natuurlijk de verpersoonlijking van de nostalgie naar het Wilde Westen. Hij maakte van zijn leven een legende, waarbij hij het overigens niet zo nauw nam met de historische feiten. Tegelijkertijd toont dit filmpje ook heel duidelijk dat zo'n Wild West-circus een nieuwe vorm van vermaak was. Er zit een heel moderne ondertoon in.''

In de vroege westerns zit volgens Verhoeff een bijzonder soort nostalgie verpakt. Het is een nostalgie die hand in hand gaat met plezier in allerlei aspecten van de moderne, stedelijke samenleving: film, Wild West-shows, treinen, de mogelijkheid van het reizen.

Meestal gaat nostalgie gepaard met een (lichte of sterke) afkeer van de moderniteit. Maar in de vroege films is dat, aldus Verhoeff, niet het geval. Pas later, in de klassieke westerns, krijgt de nostalgie naar het (Wilde) Westen wèl dat anti-moderne karakter. Dan staat het Westen voor een verdwenen wereld die nog `echt' was en `eerlijk', en ook avontuurlijker dan de moderne wereld. Verhoeff: ``Die vroege westerns verwijzen nog naar een nabij verleden. Ze proberen voor een deel te registreren wat aan het verdwijnen is. Het beeld dat later van het Wilde Westen is ontstaan, in de klassieke westerns, heeft met het verleden niets meer te maken. Dat verwijst alleen nog maar naar de beeldvorming die daarna in de loop van de filmgeschiedenis van het verleden ontstaan is.''

Een aantal klassieke one-shot-movies is te zien op een website van de Library of Congress: http://memory.loc.gov/ammem/edhtml/edmvalpha.html.