Orkaan Isabel is hier een vriendelijke fee

De East Coast Trail betekent voor wandelaars 220 kilometer over ruige hoogvlakten en langs steile rotswanden. Eén goede raad: volg wel de borden!

Avalon.

Voordat ik iets afwist van het schiereiland dat zo heet, wilde ik er heen vanwege die naam.

Het begon met Bryan Ferry, de hese Britse popster van Roxy Music. Een held van de jaren '80 was hij, een geile kameleon. Inmiddels heeft Bryan Ferry zich tot hagedis gereduceerd, zijn stem gebarsten als zijn huid. Geeft niet. Ik heb mijn geheugen. `Avalon' zong hij in zijn mooiste song, `Avalon...'

Van die song is me verder geen regel bijgebleven, maar dat ene, vanonder een inktzwarte spuuglok uitgesmeerde woord des te meer.

Avalon, daar moet ik naartoe. Naar dat eiland, vastgehecht met krappe navelstreng aan een enorme moederbuik: Newfoundland, alweer een eiland, de zee omhelst hier altijd alles en iedereen.

Ik land op het vliegveld van St. Johns, Avalons kleine, drukke hoofdstad vol oplopende straten met houten huizen in zachte kleuren, van lentegroen tot dageraad-roze. Ruik ik de zee? Zou kunnen, maar misschien verbeeld ik het me vanwege het heldere licht.

De mensen zijn groot en zwaar, de borden zijn groot en vol. Bij Velma's, een restaurant aan Water Street, bestellen man en ik `cods tongues', kabeljauwtongen. Een schaaltje witte krullen, gebakken in bolletjes paneermeel. Grote tong heeft zo'n vis.

,,Velma bestaat, maar je kunt haar niet ontmoeten, ze komt nooit de keuken uit, no my darling, giechelt de serveerster achter haar witte schort. Jammer, Velma kookt uitmuntend.

Try Our Cod, proef onze kabeljauw.

De 17e eeuwse Engelse gezagvoerder die aan Avalons gekartelde kust aanlegde om het gebied te claimen voor Koning en Vaderland, schreef die Koning over de Avalonse variant op de gebraden duifjes: hier hoefde je maar een mand door het zeewater te halen of hij zat meteen vol kabeljauw.

Dat is verleden tijd. De visindustrie, beoefend door berooide Ierse landverhuizers, is radicaal ingekrompen. Er ligt geen gezouten vis meer te drogen op de platte rotsen rond St. Johns. En toch is de kabeljauw heilig. Nu ja, zalig. Hij staat in allerlei variaties op het menu en vraag je in een wegrestaurant: wat raadt u aan? Dan is het antwoord: `Cod'. En dat klinkt zonder mankeren verlekkerd.

Het is ochtend. We willen snel op pad naar de noordrand van St. Johns, waar de East Coast Trail begint. Slagzin: `Find yourself at the edge of the world.'

Wie wandelt moet eten, anders valt hij om. Thermosfles laten vullen met koffie. Zoete broodjes bestellen. De bakkerij herbergt een kruidenier, en een bescheiden supermarkt, en een koffiehuis, alles in antieke stijl, met oudhouten laatjes en glas-in-lood.

,,Wat brengt jullie naar Newfoundland?'', vraagt de vrouw achter de toonbank.

,,Wat zegt u?''

Ze herhaalt haar vraag. Núffendlnd. Zo spreek je `Newfoundland' uit. Snel. Klinkerloos. Klemtoon op de eerste lettergreep.

Wat komen wij hier doen? ,,We gaan de East Coast Trail lopen. Elke dag een stuk. Kent u die route? Hij voert langs de oceaan naar het zuiden. 220 kilometer...''

,,...tot aan Cappahayden, ja. Of ik de East Coast Trail ken? Die route heb ik helpen opzetten.''

Ze haalt haar kin uit haar rolkraag en leunt naar voren. Ochtendlicht bespoelt haar brillenglazen. Ze reikt koffie over en bosbessenmuffins en vertelt hoe ze twintig jaar geleden deel uitmaakte van de 20-koppige groep vrijwilligers die de East Coast Trail ontwikkelde, uitzette en sedertdien onderhoudt. Ze toont haar reumaknokkels. Het veld gaat ze niet meer in. Paden schoonmaken, stenen vrijhouden, vlonders timmeren, bruggetjes aanleggen over de stroompjes, traptredes op de steile glijpaden, het lukt niet meer. Nu is ze actief op het bureau. Ze werft sponsors voor de trail. Wie een meter trail koopt, draagt bij aan het voornemen om de route uit te breiden, tot het stadje Trepassey, dan is hij 520 kilometer lang. Zelf beloopt ze de East Coast Trail nog altijd. Wat is de mooiste etappe? Zegt ze niet. Elk stuk is haar lief.

,,En jullie beginnen hier bij Fort Amherst, met Deadmans Bay Path. Vandaag tot aan Cape Spear?'' Ja, dat is het plan.

Door regen die als een kralengordijn naar beneden hangt, brengt een taxi ons naar de withouten vuurtoren op de rotspunt van Fort Amherst. Onze huurauto lieten we achter bij het eindpunt, Cape Spear, daar zullen we in de vroege avond aan komen lopen. Fort Amherst waakt over The Narrows, de smalle toegang van de oceaan tot de haven van St. Johns. Aan de overkant, op Signal Hill, staat hoog op de rotsen het vierkante mini-kasteel waar Marconi de eerste transatlantische radiosignalen opving. Tenminste, dat vertelt de man die hier rondhangt. Hij werd geboren als een van de elf kinderen van de laatste officiële vuurtorenwachter. Zijn moeder serveerde 's zomers op het plaatsje naast die vuurtoren thee en taart, er werd gedanst op de klanken van een klein orkest. ,,Maar 'k houd u op, gaat u nu. Wees voorzichtig, de kliffen zijn nat. Kunt u niet morgen beginnen? Dankzij orkaan Isabel in de VS komt er een week mooi weer deze kant op.''

We vinden de toegang tot de Trail: een rijtje donkerbruin gelakte houten borden. Je kon ze verslijten voor primitieve grafzerken, als ze niet beschilderd waren met het handelsmerk van de East Coast Trail, het silhouet van een wandelaar met hoed en stok.

Het pad begint met een klim over losse keien en met mos bestofte zwerfstenen. Boven kijken we uit over enorme bulten en platen afgesleten rots. Een donker meer lijkt klein achter deze rotsen, maar blijkt enorm als we erlangs lopen. Struikgewas in de vorm van mini-sparren ertussen. De Atlantische golven slaan de rode zandstenen kust in het gezicht. Twee vlekken ploegen met blauwe borstkas door het water – vissersschepen onderweg naar de haven van St. Johns. Voor onze ogen verschuift het grijs naar blauw, zowel aan de hemel als op het water. De regen stopt, de wind niet. De wolken tonen dunne plekken, de zon breekt los, een strook licht aan de horizon bewijst het. De regenbroeken kunnen uit, de jacks los. Orkaan Isabel, honderden kilometers verder naar het zuiden groot onheil aanrichtend, is hier een vriendelijke fee.

We wandelen over een ruig begroeide hoogvlakte, passeren velden vol platte stenen met schietschijven van kikkergroen mos. Man ben ik vaak kwijt. Nergens te zien tussen de bemoste sparren. Hij blijft achter, omdat hij maar blijft eten van de bosbessen waar de struiken blauw van zien. Via een gleuf in de bergwand zakken we af. Daar dendert de oceaan tegen de kust op en schittert het kille blauw van het water van Freshwater Bay. De baai wordt afgesloten door een natuurlijke dam van enorme rode keien; hij is bezaaid met de roestige resten van schepen die er bij storm tegenop geblazen werden. Achter ons zien we nog de toren van Signal Hill en de vuurtoren: een blokje en een vingerhoed waar elke tien seconden licht uit komt. Onder ons, langs een steile baai, ligt Blackhead, een losse verzameling houten huizen. Zonder een genoeglijke dorpskern, zonder pleintje, zonder café dat Europese idee zullen we hier afleren, hoewel ik er altijd weer op blijf hopen.

Cape Spear ligt achter een brede richel rots en gras zonder boom of struik. Een witte bladderende vuurtoren in de steigers. `Het meest oostelijke punt van Noord-Amerika' meldt een bord. Ik weet nooit wat ik verondersteld word te denken bij zo'n record.

De schemer valt vroeg, het licht glijdt weg achter de bergen. Morgen gaan we hier verder, nu rijden we naar de Bed & Breakfast. Hotels vind je hier niet, maar B&Bs te over, steevast met een ocean view. Uit die view rijst 's ochtends vroeg de zon op en dat blijft een wonder voor de Europeaan, gewend als hij is aan een zon die juist 's avonds de zee in zakt.

De volgende dagen, telkens verder naar het zuiden lopend, raak ik meer en meer in de ban van de Atlantische Oceaan. De kleur wisselt met het uur, van ijsblauw via zeegroen grauw naar diep turquoise. De zon tekent langgerekte vlekken op de grijze deining, de wind trekt er voren in. Hij is er steeds, onder steile wanden van tientallen meters diep, in ijselijke groeven tussen rotsen, en ook soms naast mijn schoenen slaand over kiezelstranden die groen zien van de algen. Of hij vormt in een afgeschutte inham een plezierpoel voor een vissende zeehond die in de schuimende golven onderduikt en dan weer erop meelift, zijn kop boven water. Het mooist is de Atlantische Oceaan ten noorden van de plaats Port Kirwan, waar de rotsen hem inlijsten in een gigantische, door de natuur uitgehouwen Arc de Triomphe.

De oceaan kan onzichtbaar zijn achter een heuvelende strook naaldbos, maar hij is altijd te horen. Zijn loeiende wall of sound is alomtegenwoordig en niemand zal mij horen zeggen dat het ruisen van de zee klinkt als het ruisen van de wind in de bomen. Ik beluisterde ze hier tegelijk: bomen lispelen, branding beukt.

We bewandelen steile paadjes door rozebottel- en bosbessenstruiken, tussen de dorpen Bauline East en Brigus South. We passeren Mad Moll Hill, Little Comfort Point, Soapy Cove. We hebben gelogeerd in Witless Bay, en op de route daarnaartoe passeerden we een opgetrokken-knievormig eilandje dat Peggy's Leg heette. De kleine, bolle baai erachter heette, natuurlijk, Peggy's Bag. Dankzij zijn Ierse voorouders spreekt de bewoner van Avalon met een Iers accent. Ieren zijn romantici en ze zijn dichters, die namen stroomden voort uit hun literaire bloed. Een barre vlakte noemden ze Blow Me Down, een scherp uitsteeksel Folly Point en een natzwarte rots met gotische hoeken Pulpit kansel. Een onstuimige baai heet Devils Kitchen, een strandje Nuns Bathing Place en een van de vele moerassen Lookout Marsh. Het liefst zijn me de namen van de gehuchten Hearts Desire, Hearts Delight en Hearts Content.

De East Coast Trail is soms zo stil dat de eekhoorns, hun koppen schuin, naar ons kijken in plaats van andersom. Nu en dan tref je een tegenwandelaar, afkomstig uit de dorpen in de oksels van baaien waar schepen gemakkelijk kunnen binnenvaren. Die fantasierijke namen voor zulke afgelegen baaien, rotsen, eilandjes, velden en vlaktes zijn dan ook vroeger verzonnen, in de tijd dat landverhuizers langs de rand van de Atlantische Oceaan probeerden een bestaan op te bouwen.

Meer dan eens volgt de East Coast Trail hun spoor en betreedt vaak originele stapstenen langs paden met verwilderde tuinbloemen ernaast. Je ziet het en je verbaast je, zo bar zijn de locaties van overgroeide resten van kleine huizen en restanten van brugjes. Een kilometer landinwaarts strekt zich van bergketen tot bergketen moeras uit. Prachtig om te zien, geel, bruin, rosrood, met varens als grote vleugels, enorme spiegelmeren en torenhoge sparrebomen bebaard met lange slierten grijs mos.

We zijn onderweg naar Calvert, lopen met flinke stappen, want voor het eerst is het kil. Er hangt mist, het licht is verwaterd, de horizon een wollen streep. De route is modderig, maar, als gebruikelijk, goed aangegeven. Heel goed. Zo goed dat we ons er een beetje aan beginnen te ergeren. Telkens weer zo'n gelakt ECT-bord, steeds weer die groene pijlen en jawel, daar is alweer dat wandelaarsilhouet. En die vlonders. En die trappetjes. En een brugje. Of we bang zijn voor een beetje blubber.

Man kijkt op de kaart, ik kijk mee. We zeggen het tegelijk: waarom nemen we niet dat stippellijnpaadje? Het heeft een naam: Church Cove Path en het leidt naar Slaughters Pond. De combinatie van kerk en slacht verleidt ons definitief. Het pad is breed en leidt weg van de oceaan, het land in. Prachtig is het, kleine heidevlaktes onderbroken door naaldbosjes. Het pad versmalt, het is nu meer een spoor in het gras. Mist beneemt ons het zicht op de overzijde van het heideveld. Ik zie een vracht vleesetende planten, hun lange geschulpte bladeren gevlekt met een rood pantermotief. Bijzonder, uniek, maar ik stap over ze heen, ik heb geen zin om ze goed te bekijken.

Er zijn nu meer sporen en paadjes. Man kijkt op zijn kompas. Niet één van die sporen gaat de goede richting uit, dus nemen we het paadje dat er het dichtste bij zit. Een kwartier later staan we voor een breed bruin water.

Dit is niet goed, we moeten terug.

Ik zak tot aan mijn dij weg in het doorweekte mos. Is dit nog wel leuk? Nee, maar voorlopig geven we dat geen van beiden toe. Dat komt pas als we mot krijgen, van de zenuwen. We besluiten de Trail maar weer op te zoeken, er zit niets anders op. Dat is niet zo gemakkelijk. Het geheugen blijkt een beperkt instrument, het herkent niets of het herkent te veel en wat de een denkt te herkennen kan de ander zich juist helemaal niet herinneren. Er wordt omstandig gedwaald langs in nevels verpakte bosranden op zoek naar de openingen die het juiste pad zouden kunnen zijn. Na voortdurend heen en weer gezoek en na allerlei sombere gedachten (Komt dit wel goed? En zo niet, wie gaat ons hier vinden?), zien we ineens het bekende bord met het ECT-silhouet: de man met de hoed en de stok, zwart op glimmend roodbruin. Het brengt ons terug naar de Atlantische Oceaan, dwingt ons om af te dalen naar waar de branding schuimt en dondert en weer omhoog te klimmen naar een boomloze vlakte waar het sparrenhout over de grond kruipt.

Nooit zal ik meer schelden op de vele markeringen. Ze voeren immers langs een volmaakte wandelroute. En ze zijn er niet voor niets. Want loop je hier fout, dan is het goed mis.

Hoe dat moeras eigenlijk heette? Dirty Marsh.