Op zoek naar een onbewoond spookdorp

Zoals in alle delen van het afgelegen Canada vallen reisschema's gemakkelijk ten prooi aan stormen waardoor de reis gewoon even niet verder gaat.

Twee volle dagen later dan gepland vallen eindelijk de verlossende woorden: Skung Gwaii in zicht! Recht vooruit doemt de beboste oever op van Anthony Island, een onbewoond eilandje aan de zuidelijke punt van de Queen Charlotte Islands voor de noordwestkust van Canada. Opluchting én opwinding maken zich meester van het kleine reisgezelschap aan boord van het bootje. Na dagen van twijfel of het haalbaar was om hier te komen, ligt de grote prijs van de tocht – een wereldmonument – nu toch binnen bereik.

Het gezicht van Hiro Ono, een Japanner, klaart op. ,,Zijn we er?'' Hij heeft erover ingezeten, want hij en zijn vrouw Sachiko zijn van ver gekomen om Skung Gwaii te zien. Uit Singapore om precies te zijn, waar hij een hyperdrukke baan heeft. Iets met logistiek, en niet meer dan één volle week vakantie per jaar. Daar willen ze dan ook wat van maken, en de Queen Charlotte Islands boden precies de juiste combinatie van de ruige natuur van de Canadese westkust en fotogenieke indianencultuur. En dat alles in een trip met de boot van vier dagen.

Op papier paste het reisplan net in de strakke agenda van de Ono's: de oversteek van de Stille Oceaan naar Vancouver aan de Canadese westkust; de volgende dag door naar de Queen Charlotte Islands, een dolkvormige archipel net ten zuiden van Alaska op ongeveer anderhalf uur vliegen; mee met de boot- en kampeertocht naar de Charlottes, ook wel `de Canadese Galapagos' genoemd wegens het spectaculaire natuurschoon, ongerept door de laatste ijstijd en rijk aan dieren als adelaars, zeeleeuwen en zwarte beren, en dan dezelfde weg terug; maandag weer op kantoor.

Doel van trip zou het zeer afgelegen Ninstints zijn, een van drie voormalige nederzettingen van de inheemse Haida-bevolking. Ninstints, een onbewoond spookdorp dat alleen over zee of door de lucht te bereiken is, bevat 's werelds best bewaarde groep originele totempalen in de vermaarde, grafische stijl van de Haida. Verweerd en in sommige gevallen schuin of omgevallen en begroeid met mos, houden ze een strenge wake voor de indianen die hier ooit leefden, voordat het Haida-volk in de 19de eeuw grotendeels werd weggevaagd door een pokkenepidemie. De totems, door UNESCO uitgeroepen tot monument, houden zich schuil achter de ceders van Anthony Island, ofwel Skung Gwaii.

Er was slechts één onvoorzien probleem, zo bleek na aankomst in Queen Charlotte City, het dorpse centrum van de archipel: de klok van de Queen Charlotte Islands loopt niet echt gelijk met die van de logistieke multinationals in Singapore. Zoals in alle delen van het afgelegen Canada vallen nauwkeurig uitgestippelde reisschema's hier vrij gemakkelijk ten prooi aan weersomstandigheden waar het kleine reismaterieel niet tegenop kan. Bijvoorbeeld: zware mist? Ach, het vliegtuigje kan niet opstijgen. Jammer, maar niets aan te doen. Misschien lukt het morgen.

En zo komt Mary Kelly, de organisator van de trip, op de ochtend van vertrek met een bedrukt gezicht uitleggen dat er een zware storm woedt in de wateren rond de eilanden, die direct zijn blootgesteld aan de Stille Oceaan. ,,Het bootje kan de zee niet op'', zegt ze zuchtend, met een uitdraai van de Canadese weerdienst in de hand. Die meldt: stormachtige wind en vier meter hoge golven. ,,Hopelijk lukt het morgen.''

De storm houdt echter aan, en ook de volgende dag moet worden afgeschreven. De reizigers worden op sleeptouw genomen door Dick Bellis, een gezette Haida-gids die naar eigen zeggen ,,alles over de eilanden weet''. In een rammelende bestelbus gaan we over de modderige kuilen van de bosbouwwegen op weg naar een reusachtige spar in het regenwoud van naar schatting 750 jaar oud, met een diameter van vijf à zes meter. Het laatste stuk moeten de passagiers lopen, over omgevallen bomen heen en onder natte takken door. ,,Doorlopen, anders laten we je achter voor de beren'', dreigt Bellis. Wanneer in de verte inderdaad een zwarte beer verschijnt, blaast Bellis op een zelfgemaakt fluitje, waarna het dier verwonderd blijft staan. ,,Hij is aan het vissen geweest'', zegt hij.

Het verre Ninstints blijft lonken, terwijl de tijd op het vasteland gestaagt doortikt. Mensen moeten met intercontinentale vluchten mee, aansluitingen halen op internationale luchthavens. Kelly krijgt er ,,een maagzweer'' van. Ze heeft nog nooit een tocht geannuleerd, zegt ze onheilspellend. Maar gelukkig hoeft dat deze keer ook niet, want eindelijk is het zover: twee dagen voor de terugreis van de Ono's vertrekt de vierdaagse boottrip door de onbewoonde wereld van de Queen Charlotte Islands. De Ono's zullen tussentijds worden opgehaald door een watervliegtuigje om hun terugvlucht te kunnen halen.

Eenmaal aan land op Skung Gwaii blijkt dat de tijd van Haida Gwaii niet alleen haastige wereldreizigers hun plaats wijst. Ze is al even meedogenloos voor de weerloze totempalen. Streng en imposant staan ze op een rij bij een beschutte inham, bevreemdend geïsoleerd van de buitenwereld. Beren, adelaars, raven en walvissen zijn symmetrisch opgestapeld in de prachtige stijl van de Haida met grote ogen. Na meer dan een eeuw van regen en wind zijn de kale cederstammen waaruit ze zijn gesneden, gekloofd en zilverachtig van kleur geworden. Sommige stammen zijn van binnenuit aangetast. Uit een van de totems lekt verrot hout dat er volgens gids Glynn twee weken geleden nog niet lag.

De eerste reactie van de bezoekers is een mengeling van ontzag en dadendrang. De totems zijn zo uniek, zijn ze niet te beschermen tegen de tand des tijds? Het antwoord is nee, legt Glynn uit. De meeste totems deden ooit dienst als `doodspalen' en hadden bovenaan een kist met de resten van een prominent stamlid. De Haida gaven die over aan de natuur. Vroeg of laat zou de paal omvallen en één worden met de aarde. Daar werd niet tegen ingegrepen. Dus wereldmonument of niet, de totems worden niet opgekrikt, gestut of in de lak gezet. Over een jaar of vijftig zal hun rauwe schoonheid volledig zijn vergaan.

Plannen om weerstand te bieden aan dit natuurlijke proces, zijn verworpen door de Haida van nu, zegt Jeff Moody, een jonge Haida die Skung Gwaii 's zomers helpt bewaken. ,,Er zijn ideeën geweest om de palen te redden, maar ze behoren terug te keren naar de aarde.'' Het is een prikkelende les: de tand des tijds is aanvaardbaar, vergankelijkheid mag.

Niettemin begint de volgende ochtend weer een exercitie in het overwinnen van de tijd. De Queen Charlotte Islands zijn bij het ochtendgloren gehuld in een dikke mist. Het vliegtuigje dat de Ono's zou komen halen, kan niet opstijgen. Een race tegen de klok begint, Dan maar per boot. Terwijl de anderen bij de heetwaterbronnen zijn, gaat de boot op volle kracht noordwaarts.

Enkele dagen later keert de rest van het reisgezelschap heelhuids en ontspannen terug van de voltooide totempalentocht. Met de Ono's is het ook goedgekomen. Met gierende banden waren ze de ferry opgereden, net voordat de klep omhoogging. Maar ze haalden hun vlucht - en kregen vanaf de boot nog een walvis te zien ook. Eén ding was echter duidelijk: de klok van Haida Gwaii tikt onverstoorbaar op zijn eigen tempo. Verzet daartegen loont niet; berusting is veel wijzer.

QUEEN CHARLOTTE ISLANDS