Online compulsive disorder

IN DE WETENSCHAP zag je vroeger mensen met perfecte kaartsystemen, vaak gespecialiseerd, bijvoorbeeld alles over kankerverwekkende stoffen. Zo'n kaartsysteem had zijn nut. Wie iets wilde weten over kankerverwekkende stoffen, kon altijd terecht bij collega Wim. Het kostte wel even tijd om de beoogde informatie te krijgen, want Wim stond er op om de superieure indeling van zijn kaartsysteem aan iedereen uit te leggen, maar na die uitleg kreeg je meestal de informatie die je nodig had.

Naast nut, had zo'n systeem ook obsessionele kanten. Voor zo'n Wim was het kaartsysteem niet meer een bron van informatie maar een doel op zichzelf. Althans één stukje van de onoverzichtelijke wereld kon geordend worden. Die ordening ging niet alleen fungeren als schild tegen de warrige wereld, maar ook als een schuilplaats tegen de `slings and arrows' van de wetenschap. Onderzoek is vaak een frustrerende aangelegenheid. De proeven lukken niet, concurrenten lossen problemen op, waar je net zo lekker zelf aan zat te werken, vitale medewerkers vertrekken naar betere banen. Wat is er dan veiliger en troostrijker dan een perfect kaartsysteem, waarin al die stukken van succesvoller concurrenten netjes geordend zijn? De kaartsysteemperfectionist hoefde zich ook niet schuldig te voelen want het bijhouden van een kaartsysteem is geen sinecure. Dag in dag uit kon je Wim in de weer zien met zijn kaartjes, koortsachtig schrijvend in de bibliotheek, een dappere strijd voerend tegen de opkomende vloed van nieuwe artikelen.

Soms poogde een instituut van de nood een deugd te maken door zo'n Wim tot bibliothecaris te promoveren. Dat was ook geen oplossing. Een goede bibliotheek is klantvriendelijk. Waar nooit een boek weg raakt of een tijdschrift verkeerd gerubriceerd wordt, komt de klant te kort. Een echte Wim stelt orde boven klantvriendelijkheid en tiranniseert de schuchtere bibliotheekbezoeker met een vloed van regels.

Met de komst van de personal computer (pc) en machtige databanken, waarin die computer bliksemsnel elk wetenschappelijk artikel terug kan vinden, is de kaartenbak overbodig geworden. De kaartjesfetisjist is door deze drastische gedragstherapie acuut van zijn kwaal afgeholpen. In mijn leven heb ik duizenden kaartjes geschreven en die kaartjes staan mij nu verwijtend aan te staren in twee grote kaartenkasten. Al dat werk, al die samengebalde kennis, is overbodig geworden. Ik heb het nog niet over mijn hart kunnen krijgen om de hele handel weg te mikken.

Met de demise van de kaartenbak is de onderliggende neurose van de kaartjesfetisjist natuurlijk niet verdwenen. De informatievloed creëert zelfs nieuwe kwalen, die nog veel irritanter zijn dan kaartjes schrijven. Hoe vaak gebeurt het nu niet dat ik een kamer binnenkom om iets te bespreken en ontvangen wordt met een pathologische onrust: ``Even mijn e-mail checken. Mijn antwoordapparaat flikkert, wacht even. Er komt net een investment alert binnen op mijn mobieltje; even kijken wat ze nu weer hebben. Heb je de headlines van CNN al gezien?'' Het antwoord is: ``nee, nee, NEE! Leg die mobiel in de kast en de hoorn naast de telefoon. Doe je computer uit, nee helemaal uit: we hoeven ook geen tropische vissen over het scherm te zien zwemmen. Laptop dicht. Even niet chatten en surfen, ik wil iets bespreken.''

De ongedurigheid van mensen, die alsmaar kleine beetjes informatie opnemen via hun mobiel, hun tv, hun hand-computer, hun laptop, heeft nu een technische naam: OCD online compulsive disorder, de onbedwingbare drang om met apparaatjes in de weer te zijn in plaats van met serieus werk. Een Harvard-professor noemt het pseudo-attention deficit disorder. Onvermogen om je aandacht er bij te houden. Het ongedurige kind in de klas kan een echte attention deficit disorder hebben, een aangeboren onvermogen tot concentratie. De ongedurige volwassene met zijn technische speeltjes heeft een verworven defect, een pseudo-defect, door verslaving aan de kick van nieuwe impulsen.

Zoals veel verslaafden, heeft ook de patiënt met pseudo-attention deficit disorder geen ziekte inzicht. Al die apparatuur, die constante stroom van oppervlakkige informatie geeft de patiënt het gevoel van hoge productiviteit. Als iemand er boven op zit, dan is hij het wel. Productiviteitsmetingen laten het tegenovergestelde zien: multi-tasking, drie dingen tegelijk doen, leidt voornamelijk af. Wie brengt het nog op om een saai, maar belangrijk artikel te lezen, als de Sidekick tsjilpt? (De Sidekick is een nieuw apparaatje dat dient als camera, kalender, adresbestand, mobiele telefoon, e-mail ontvanger, internet verbinding en waarschijnlijk meer). Wie kan er nadenken over een weerspannig probleem als het pc-scherm meldt dat er nieuwe e-mails zijn binnengekomen?

Apparatuur maakt ook kwetsbaar: de blitse elektronische agenda en de laptop worden gepikt; de geniale computer crasht of raakt verstrikt in een software-kronkel als ie al niet onbruikbaar is door besmetting met virussen en wormen; de handige mobiele telefoon is nimmer opgeladen als je hem nodig hebt; het versatiele telefoon-annex-fax-annex-antwoordapparaat is chronisch in de war, zodat geen van de handige opties werkt. Altijd is de garantieperiode net verlopen en zijn de onderdelen `al lang' niet meer te krijgen. De handige buurjongen, die al die apparatuur meestal weer aan de praat wist te krijgen, of die althans kon beslissen dat reparatie niet meer mogelijk was, is inmiddels advocaat en kost 200 euro per uur. De laatste elektronische klusjesman is in de WAO verdwenen.

In iedere onderzoeker schuilt een kaartjes-Wim en een potentiële OCD-patiënt. Lang ben ik beschermd geweest, door een perfect secretariaat, als een jongetje in een infectievrije ballon. Met een dictafoon gaat alles sneller, zeker als je met 2 vingers tikt. Maar eerst kwam de pc in mijn leven en nu ook de laptop. En het bevalt me wel. Iedere collega, waar ook ter wereld, is instantaan te bereiken via e-mail. Wie zoveel wetenschappelijke maatjes en oud-leerlingen heeft als ik, kan al e-mailend de dag in het lab productief doorbrengen. Het aardige is dat het antwoord op mijn e-mails meestal binnen 5 minuten komt, zelfs uit Japan ('s ochtends) en Amerika ('s avonds). Al die druk bezette onderzoekers zitten kennelijk de hele dag maf naar het scherm te staren, uitkijkend naar hun volgende e-mail shot. Wacht, er komt een e-mail binnen. Ik moet deze column afsluiten.