Na een paar duiken herken je dezelfde vis

De eilanden in de Golf van Thailand vormen een waar duikparadijs. Nog een hap lucht, de duimen naar beneden en uitblazen maar, de stille diepte in.

We komen nauwelijks vooruit, de stroming rondom de rotsen is te sterk. Rustig bewegen we onze zwemvliezen, om te voorkomen dat we tegen de kleurige met kwetsbaar koraal en zee-egels bedekte rotswand aan geduwd worden. Honderden vissen zwemmen om ons heen, meters onder ons zien we nog net de bodem. Boven ons schijnt het zonlicht in felle stralen door achttien meter Thais zeewater. We laten ons door de stroming langzaam achteruitduwen, de luwte van Sail Rock in. Twee handjes maken het okay-teken, mijn duik-buddy Lucella maakt het goed. Ik gebaar terug, ook okay. We genieten, de stilte is weldadig, ondanks het geweld van honderdduizenden liters water.

Acht dagen geleden kwamen we na een rondreis van bijna twee weken aan op Koh Tao (Schildpad Eiland), een tropisch eiland van een paar vierkante kilometer in de Golf van Thailand. We hadden er een lange reis opzitten vanuit het noordelijk gelegen Chiangmai met de bus naar de hoofdstad Bangkok, met de nachttrein door naar het havenplaatsje Chumpon en vandaaruit met de ferry naar het eiland. De tropische warmte is heerlijk vergeleken bij de bedompte hitte van steden als Bangkok en Chiangmai. Geen uitlaatgassen en files, geen miljoenen krioelende Aziaten ook, maar palmbomen, zandstranden, azuurblauwe zee, prachtige koraalformaties. Dit is het paradijs, besluiten we.

Koh Tao is het derde eiland op rij dat de afgelopen decennia op de natuur is veroverd door rugzaktoeristen en duikliefhebbers. In iets meer dan tien jaar tijd verrezen zeven dorpen, 33 duikscholen en tientallen hotels, restaurants, kroegen, winkels en internetcafés. En overal op het eiland wordt driftig doorgebouwd aan nieuwe resorts, kroegen en duikscholen. Controle op dat bouwen is er nauwelijks. Wegen van betonplaten beslaan het grootste deel van het eiland, pick-up-trucks doen dienst als taxi's.

Koh Tao en de andere Thaise eilanden zijn ware duikparadijzen vanwege de mooie locaties en vooral vanwege de lage prijzen. Waar in Egypte en in de Carribean rond de 300 euro betaald moet worden voor een cursus duiken, ben je in Thailand voor iets meer dan 150 euro klaar, vaak inclusief accommodatie in het resort van de duikschool. Fundives (voor mensen die al een brevet hebben) kosten rond de 15 euro per duik, inclusief al het materiaal en versnaperingen (watermeloen, ananas) en lunch aan boord van een van de vele boten. Het hele jaar is het rond de 35 graden celcius in de Golf, en als de temperatuur van het zeewater als gevolg van een tropische stortbui per ongeluk één graad kouder is dan de gemiddelde 30 graden celcius, is de hele duik-scene in de war en de week daarop verkouden.

Ons resort, het Coral Grand Resort, ligt helemaal aan het einde van de baai in het noordelijk gelegen Sairee Beach. Kilometers zandstrand scheiden dit dorpje van de `hoofdstad' Mae Haad. De eerste twee-en-halve dag heb ik gebruikt om mijn Padi Open Water, mijn duikbrevet, te halen. Deels in het zwembad, deels al op open zee. De duiken die ik voor de cursus maakte, hebben me alleen maar nieuwsgieriger gemaakt. De onderwaterwereld fascineert. Allereerst is er de weldadige sensatie van de ultieme stilte. Onder water hoor je bijna niets, behalve dan het opborrelen van de luchtbellen uit de duikflessen en zo af en toe het geronk van de motoren van de boten aan de oppervlakte. Daarnaast is er de haast meditatieve manier van voortbewegen onder water. Dankzij luchtfles, loodgordel en opblaasbare `bodywarmer' ben je na wat proberen onder water gewichtloos. Los van het vooruitbewegen met de zwemvliezen, controleer je je hoogte door meer of minder lucht in je longen te nemen bij het ademen. De eerste paar keer lig je af en toe plat op je buik op de bodem (te weinig lucht in je longen genomen), dan weer zweef je meters boven je doel (te veel lucht). Maar als de ademhaling eenmaal onder controle is, zweef je als een soort onder-water-hovercraft over de koralen, door grotten en langs scholen vissen.

Al snel raken we vertrouwd met de stromingen, de bodemsoorten, en vooral met de planten, koralen en vissen. Vergezeld van een dive-master ontdekken we de prachtigste plaatsen. Aan de hand van een aantal van tevoren afgesproken handgebaren geeft de dive-master aan waar we heen gaan, maar ook wat voor soort vissen we zien. De handen in de vorm van twee pistolen? Een triggerfish. Handen doen een vogeltje na? Een bat-fish. Handen vlak naast elkaar, bewegend? Een rog. Hand aan de neus? Jawel, een clown-fish. Na een paar duiken zijn we zelf in staat de vissen te herkennen. Barracuda's, papegaaienvissen, naaldvissen, alen, we pikken ze er zo uit om ze goed te kunnen fotograferen.

Eén baars maakt het ons wel erg gemakkelijk. Hij is dol op duikers, en hij heeft van de dive-masters van de Coral Grand al een naam gekregen: Wally. Als de duikers bij zijn territorium in de buurt komen, komt Wally nieuwsgierig aanzwemmen en laat hij zich zelfs aaien. Met Wally kun je goed op de foto. En dan is er nog Sebastian, de clown-fish, en zijn familie. In de afgelopen jaren hebben duikers een kring van stenen rondom het plantje gelegd dat als huis voor de familie-Sebastian dient.

Na tien duiken wordt het tijd voor het serieuze werk. Iedereen in het resort rept al de hele week van Sail Rock: midden op zee, dertig meter diep, met een soort schoorsteen waar de duikers zich doorheen laten zakken om op de toegestane 18 meter uit te komen. De mooiste plek in de wijde omgeving, verzekeren de instructeurs. Een special trip, dat wel, en dus een special price: 2.500 baht, zo'n 50 euro per persoon.

Sail Rock is een kleine, onbewoonde rotsformatie die zo'n zes meter boven het water uitsteekt. De formatie ligt halverwege Koh Tao en Koh Phangnan. Met de snelste boot van het eiland, The Viper, doen we er op volle zee nog ruim een uur over om de rots te bereiken. De zee is ruig deze ochtend, we zijn om zeven uur vertrokken uit de haven, de boot stuitert wild op en neer. Onze ogen richten zich strak op de horizon, nu zeeziek worden zou zonde zijn. We bereiken de rots, leggen aan en worden tijdens het `optuigen' prompt geramd door een andere boot, die door de hoge golven de controle over het stuur was kwijtgeraakt. Het loopt goed af en niemand is gewond.

Even later hebben we de duikpakken aan en doen we de buddy-checks. Vanaf de achterplecht van de speedboot springen we in een wilde zee. Eenmaal in het water `tuffen' we wat speeksel in onze duikbrillen, om beslaan onder water te voorkomen, doen brillen op en zwemmen naar de boei. We testen de beademing nog een keer. Alles okay?, gebaren we. Alles okay! De duimen naar beneden, diep uitademen, de hand aan de luchtuitlaat van het duikvest en zakken maar.

En weg zijn de golven en de wind, de meditatieve stilte van de onderwaterwereld omringt ons. Het water is troebeler dan dichtbij het eiland, maar de rotsformatie blijkt onder water vele malen imposanter dan erboven. De schoorsteen is prachtig: tussen de koralen en anemonen in zakken we naar achttien meter diepte om daar de koker via een gat weer te verlaten. Zo midden op zee is de stroming rondom de rots veel sterker dan dichtbij het eiland, dus we beperken ons bezoek aan Sail Rock tot de noord-westkant van de formatie. Zwevend door het water kijken we omhoog, waar honderden vissen het zonlicht breken. Als we na bijna drie kwartier weer boven komen, giert de wind ons om het hoofd. De golven onttrekken de speedboot af en toe aan het zicht, het aan boord klimmen met de ineens weer loodzware bepakking zorgt voor schaafwonden en blauwe plekken. Uitgeput zakken we neer op een van de blauwe bankjes en bevrijden ons van onze apparatuur.

Doe ons maar de stille diepte.