Kwade kersenbloesem

Een miljoen jonge Japanners verkeert in een volledig isolement door de eenzaamheidsneurose `hikikomori'. Als de wraak van geesten in het spel is, worden ze aan hun lot overgelaten. Bericht over een gestolde puber van 31 jaar uit een hightech-keizerrijk vol demonen.

Mijn zwager Yuutsuke ziet zelden het daglicht. Overdag slaapt hij. En 's nachts kijkt hij naar Europees voetbal op een kleine televisie, het enige meubelstuk van betekenis in zijn kale, geelgerookte kamertje van twaalf vierkante meter in het centrum van Kyoto.

Yuutsuke is 31, maar ziet er vijftien jaar jonger uit. Dat is geen toeval. Op zijn zestiende zakte hij voor zijn eindexamen op de middelbare school in zijn geboortedorp. Een poging tot avondonderwijs mislukte. Sindsdien lijdt hij aan een extreme faalangst die hem bijna volledig verlamt en isoleert. Zijn ontwikkeling staat stil. Wie in Japan niet werkt, heeft geen vrienden. Een relatie of een huwelijk is uitgesloten.

Yuutsuke wordt financieel onderhouden door zijn ouders om te voorkomen dat hij in de goot belandt. Een psychiater inschakelen is taboe. Wel gaan zijn ouders naar een boeddhistische monnik. Hij kan als medium contact maken met de geesten van de voorouders. De monnik vraagt hun waarom Yuutsuke zo veel tegenslag heeft.

De geesten laten weten dat Yuutsuke moet boeten, omdat zijn grootmoeder ooit een bloeiende kersenboom heeft omgehakt – kersenbloesem is een nationaal Japans symbool. Het advies aan Yuutsuke's vader luidt om dagelijks te bidden tot de kami, de geesten en goden van zijn animistische shinto-religie. Dan zal alles goed komen.

Dat vindt vader een heel normaal advies. Voor hem zijn goede en kwade geesten een realiteit, net als zijn auto en zijn huis. Shinto leert hem dat alles een ziel heeft, ook een steen of een rijstkorrel. Of een kersenboom. En dus zingzegt Yuutsuke's vader – een bankier in ruste met internet – voor zijn huisaltaar twee maal daags zijn gebeden om de kami gunstig te stemmen, opdat zij de vloek over zijn zoon opheffen. Hij gelooft oprecht dat het op een dag zal gebeuren. En zo legt Freud het anno 2003 in Japan af tegen de demon van een omgezaagde kersenboom.

De Japanse wereld van de kami is hier bekend door de veelgeprezen animé-films Spirited Away en Prinses Mononoke van regisseur Hayao Miyazaki. Maar waar de argeloze Nederlandse bioscoopganger denkt dat hij naar virtuoos getekende sprookjes kijkt, hebben deze films voor oudere Japanners een hoog werkelijkheidsgehalte. Die geesten van het celluloid kennen ze goed uit hun eigen belevingswereld. En de kami kunnen ook in het dagelijks leven een hoofdpijnfactor zijn voor stervelingen. Yuutsuke heeft de pech een van hun doelwitten te zijn.

Volgens onderwijsprofessor Hiroki Katsuyuki zijn er in Japan een miljoen jonge volwassenen zoals Yuutsuke. Ze lijden aan het syndroom hikikomori, dat betekent: `opgesloten in het eigen huis'. In de Japan Times definieert hij hikikomori als `een toestand waarin Japanners van 15 jaar of ouder, bijna altijd mannen, zich voor langer dan zes maanden terugtrekken in hun kamer of woning terwijl ze geen psychische stoornis hebben'. Ze zijn niet in staat deel te nemen aan sociale activiteiten en gaan vaak alleen 's nachts het huis uit. Falen op school of pesterijen door medeleerlingen of leraren zijn meestal de oorzaak. Anderen zien hikikomori als een ultieme poging om te ontsnappen aan het verstikkende conformisme in Japan.

Pas sinds tien jaar wordt het syndroom hikikomori benoemd. Het wordt gezien als een ziekelijke uiting van het economisch verval in Japan. Psychiaters gaan zover te stellen dat de natie Japan in z'n geheel aan hikikomori lijdt: geïsoleerd, bang en niet in staat contact te maken met de buitenwereld, terwijl Zuid-Korea en China zich manifesteren als de nieuwe economische tijgers van Azië.

Niet zelden komen ouders van een hikikomori-kind in grote financiële problemen, omdat ze de zoon tot hun dood moeten onderhouden. En dan is er de schande dat hij door het syndroom niet kan trouwen en geen zoon verwekt, en dus de in Japan zo belangrijke bloedlijn van de familie niet voortzet. Hikikomori-lijders hebben in Japan één beroemde pleitbezorger: in de films van regisseur Takeshi Kitano worden ze met sympathie neergezet.

Verstoord giri

Hoe is het mogelijk dat jonge Japanners niet ageren tegen de animistische uitleg van een syndroom met een duidelijke maatschappelijke achtergrond? Omdat ze – hun materialisme ten spijt – niet zo ver afstaan van het shintoïsme. Meer dan een georganiseerde religie is shinto een cultus die de kern van de Japanse identiteit wordt genoemd. Hoewel de meerderheid van de jonge Japanners zich atheïst noemt en weinig zegt op te hebben met shinto-rituelen (trouwen in de kerk is in), staan hun koelkasten niet zelden vol met restjes rijst. Want eten weggooien, dat doe je niet. Iedere rijstkorrel heeft een ziel en wie weet komen er problemen van.

Japan-kenner Ian Buruma signaleert in De spiegel van de zonnegodin hoe ieder nieuw flat- of kantoorgebouw een shinto-heiligdom op het dak krijgt, bewaakt door de vos Inari, de god van de rijstoogst. In veel opzichten, schrijft Buruma, is Japan nog steeds een land van rijstboeren die niet goed weten wat ze aan moeten met hun welvaart. En filmregisseur Imamura Shohei noemt de moderne oppervlakte van Japan een illusie. ,,De werkelijkheid'', zegt hij tegen Buruma, ,,zit hem in die heiligdommen, het bijgeloof en de irrationaliteit van het Japanse bewustzijn onder het vernis van driedelige pakken en moderne technologie.''

Ook voor jonge carrière-Japanners is irrationeel denken en handelen heel gewoon. Ze zullen niet snel met hun hoofd richting het noorden gaan slapen, want die houding is voorbehouden aan de doden. Ze zullen hun stokjes nooit rechtop in een kommetje rijst planten, want dat verwijst naar een rijstoffer met wierookstokjes na een sterfgeval. Als ze iemand servies cadeau doen, zullen het nooit vier kopjes zijn, want vier is het getal van de dood. Gaan Japanners naar een huwelijksfeest, dan zal het cadeau nooit een even getal kosten. Want een even getal kan door tweeën gedeeld worden en verwijst daarom naar scheiden. Wie een cadeautje krijgt moet een geschenk teruggeven van dezelfde waarde om het giri, het delicate sociale evenwicht, niet te verstoren.

Al die grote en kleine taboes, terwijl het leven in Japan toch al zo complex is. Japanners kunnen op het werk nauwelijks uiting geven aan persoonlijke gevoelens. Ondergeschiktheid aan de groep – een eeuwenoude shinto-deugd – is nog altijd de norm. Terwijl werkende Japanners meer dan ooit redenen hebben om boos, bang en teleurgesteld te zijn. De baan-voor-het-leven blijkt een illusie. Corrupte politici onderhouden banden met de yakuza (maffia). De regering durft het niet aan banken te saneren die vaak virtueel failliet zijn door openstaande slechte leningen. Meer dan de helft van de Japanners gaat niet stemmen omdat ze denken dat het niets verandert. Het Japanse zelfmoordcijfer is het hoogste van alle geïndustrialiseerde landen, nog afgezien van de doden door karoshi – sterfte door extreem overwerken. En al die onzekerheid en angst lijkt zich bij jonge mannen te manifesteren in de eenzaamheidsneurose hikikomori. Het syndroom is een spiegelbeeld van het hedendaagse Japan.

Het land wil een sprong voorwaarts maken, maar de tegenkrachten zijn hardnekkig. Onder een moderne laklaag van stipte kogeltreinen en freaky elektronica schemert steeds de traditie, die weinig moet hebben van nieuwlichterij en gajins, vreemdelingen. (Japan nam vorig jaar 38 asielzoekers op.)

Het gist en borrelt onder jonge Japanners, maar ze staan onder grote druk om te buigen als riet in de wind. Wie met een groep goedopgeleide, jonge vrouwen uit Osaka naar een restaurant gaat weet zich in gezelschap van angry young girls die geen blad voor de mond nemen om – voor even – hun afkeer van hun patriarchale samenleving te belijden. Buiten het blikveld van hun Japanse mannen laten ze in hun modieuze outfits van Gucci en Prada meteen alle vormelijkheden varen. Ze drinken en lachen veel en maken harde grappen over hun chefs. Allengs schuwer kijkende obers worden op steeds hogere toon ontboden voor meer spijs en drank.

Maar als ver na middernacht de rekening is betaald, hernemen de vrouwen buiten op straat onmiddellijk hun vormelijke pose. In de metro op weg naar huis is meteen alertheid vereist. Voor vrouwen zijn op de perrons aparte vakken vrijgemaakt, waar ze gevrijwaard van handtastelijke mannen kunnen instappen. Ze vertellen het besmuikt lachend, maar in de overvolle wagons zijn ze regelmatig doelwit van ongewenste intimiteiten.

De inspiratie daarvoor doen de mannen op door manga-stripboeken te lezen die sadistische vastbindporno verheerlijken. Dat vastbinden is in Japan sinds lang een wrede kunstvorm, kinbaku – toegepast om veroordeelden te martelen of ter dood te brengen. Ook na het verbod op kinbaku blijft de `kunstvorm' in een sadomasochistische pendant voortleven. Fotograaf Araki heeft er een oeuvre over opgebouwd, dat in Japan geen oppositie van betekenis kent.

Waar voor jonge Japanse mannen hikikomori de prijs is voor de Japanse neurose, daar betalen vrouwen met achterstelling. Vrouwelijke managers zijn in Japan nog altijd een zeldzaamheid. Parttime werken wordt bestraft met een lager uurloon en nul carrièreperspectief. Vrouwen die na hun huwelijk blijven werken, worden geprest om thuis te blijven en kinderen te krijgen. Waren ze na hun 24ste nog niet getrouwd, dan werden ze tot voor kort afgeschreven als partner (`na 24 december is de kerstcake niet meer lekker', luidt het Japanse spreekwoord). En vrouwen die traditioneel huwen, met op hun hoofd een grote witte kap die hun duivelshoorns moet verbergen, vallen daarna niet zelden onder de invloedssfeer van een strenge schoonmoeder.

Maar verzet is Japanse vrouwen niet vreemd, al is het vaak symbolisch. Neem de grootmoeder van de geïsoleerde Yuutsuke, met haar later zo betreurde gebrek aan eerbied voor kersenbloesem. In haar houten boerenwoning, nog altijd bewoond door de ouders van haar kleinzoon, bevindt zich een lichte, rechthoekige vlek op een van de papieren schuifdeuren. Daar hing heel lang een foto van keizer Hirohito. De prominente plaats voor de foto was een uiting van spijt van grootvader, die zich schuldig voelde omdat hij door zijn zwakke gezondheid niet kon vechten in het keizerlijke leger. Na zijn dood haalde oma de foto weg en verscheurde hem. Ze mocht de keizer niet.

Op de bruiloft

Ik ben getrouwd met Yuutsuke's oudere zus. ,,Mijn opa's schaamden zich voor hun familie omdat ze de oorlog hadden overleefd'', zegt ze. ,,Ze hadden het gevoel dat ze hadden moeten sterven voor god, de keizer. Nu zijn mijn ouders bang dat hun zoon zelfmoord zal plegen, omdat zij op hun beurt tekortschieten.''

`In de wereld maar niet van de wereld', omschreef Karel van Wolferen Japan in Japan, de onzichtbare drijfveren van een wereldmacht. Eind jaren tachtig signaleerde Van Wolferen een al decennia met de mond beleden ambitie om Japan te veranderen. Maar het bleef bij machteloze gemeenplaatsen over `Japan op de tweesprong' in toespraken van politici en krantencommentaren. Sindsdien is er weinig veranderd.

Het lijkt soms een wonder dat Japanners privé zulke warme, gastvrije en goedlachse mensen zijn. Openbare agressie is nog altijd uiterst zeldzaam, al is geweld en pesten op school en zelfmoord onder studenten onderwerp van zorg. Japanners denken dat hun meegaande volksaard debet is aan het vreedzame karakter van de Japanse samenleving. Waar ongenoegen zich in het Westen uit door asociaal gedrag, daar vertonen gefrustreerde Japanners non-sociaal gedrag. Zoals hikikomori.

Als ik op een dag in Kyoto trouw met de zus van Yuutsuke, belooft de vereenzaamde broer ook te komen. Maar tijdens het diner blijft zijn stoel leeg. Toch wordt zijn plaats aan tafel bediend door vrouwen in kimono. En iedere gang – het zijn er vele – wordt even later onaangeroerd weer weggehaald. Geen van de Japanse aanwezigen vindt dit vreemd. Achteraf luidt de verklaring dat hij wegblijft uit angst voor afkeurende blikken van familieleden.

Een jaar later komt het tot een ontmoeting. Na lang aanbellen opent Yuutsuke slaperig de deur. In lotushouding staart hij onafgebroken naar de grond. Een gestolde puber van 31. Pas na minuten zwijgen geeft hij mompelend en kort antwoord op de vragen van z'n zus. Bij het vertrek lijkt hij opgelucht.

Zijn zus zegt dat hij vroeger al een stille jongen was. Nadat hij faalde bij zijn examen, klapte hij dicht. En toen kwam die monnik met dat verhaal over de wraak van de omgezaagde kersenboom. Vroeger schilderde Yuutsuke, zegt ze. En hij las veel. Hij luisterde graag naar muziek van The Smiths. Maar daar is hij allemaal mee gestopt. Ze zegt dat hij en zijn ouders nooit van het syndroom hikikomori hebben gehoord.