Hollands Dagboek: Jurriaan Kamp

Jurist Jurriaan Kamp (44) is hoofdredacteur van Ode, het opinietijdschrift `over mensen en ideeën die de wereld veranderen' dat hij in 1995, samen met zijn vrouw, Hélène de Puy, oprichtte. Afgelopen week waren ze samen in New York om Ode te presenteren aan de Amerikaanse pers. `Een man pakt Ode uit het schap, dat ligt naast Atlantic Monthly. Ik blijf wachten, maar hij legt het weer netjes terug.'

Donderdag 1 januari

Het nieuwe jaar begint voor ons vijf uur te laat – maar binnen het koninkrijk.

De eerste minuut van 2004 wordt op Aruba met een ongekende explosie van vuurwerk gevierd. Arubanen claimen trots dat zij per hoofd van de bevolking de hoogste vuurwerkconsumptie ter wereld hebben. Waarin een klein eiland groot kan zijn. Dat record blijft deze nacht ongetwijfeld intact. We drinken een glas champagne met de familieleden van Hélène bij wie wij hier met onze vier kinderen te gast zijn en wier voorouders al generaties op het eiland wonen. Als we in bed stappen, blijft het gedonder van de klapchi's – de overtreffende trap van rotjes – het monotone gedreun van de airco nog uren overstemmen.

Gewekt worden door de zon is nooit vervelend – zelfs niet na een korte nacht. We rijden naar de noordkust van het eiland om te gaan zwemmen in de golven die worden opgezweept door de noordoostpassaat. Op een rotspunt met de wind in de rug denk ik na over het verhaal dat ik woensdag zal houden op de presentatie van de Engelse editie van Ode aan de Amerikaanse media. Sinds begin vorig jaar verschijnt Ode maandelijks in een Engelse editie.

De vraag die ik tijdens de presentatie moet beantwoorden: wat heeft Ode toe te voegen aan de reeds overvolle tijdschriftenschappen in de Verenigde Staten? Onze focus op berichtgeving over positieve verandering is ook voor de VS origineel. En ons internationale perspectief is duidelijk een asset voor een groeiend publiek hier dat bezorgd toeziet hoe hun huidige president erin slaagt de VS van de rest van de wereld te vervreemden. In dat opzicht hadden we nauwelijks een beter moment kunnen kiezen om Ode op de Amerikaanse markt te lanceren.

Vrijdag

We worden wakker met een regenbui, die binnen een half uur overwaait. Dat is het lekkere van de tropen. Later blijkt dat diezelfde bui tien kilometer verderop huizen een halve meter onder water heeft gezet. Op de lokale televisie waden mensen door de straat – zo plaatselijk kan een bui zijn op een eiland van dertig bij tien kilometer.

Het wordt een nieuwe stranddag en ik beoefen de kunst die mij van nature zwaar valt: niets doen. Ik merk dat mij dat na tien dagen makkelijker begint te vallen. Wat kun je anders, als bureaus, e-mails en telefoons niet eens in de buurt zijn? Ik lig probleemloos een uur – of was het veel langer? – omhoog te staren zonder noemenswaardige gedachten. Als ik dat besef, voel ik trots. Is dit ontspanning?

We spelen met zijn zessen in de golven – ik niet te lang; het lukt mij zelfs op Aruba om het koud te krijgen in het water. Zittend op het strand kijk ik naar het spel en haal steeds weer een keer gerust adem als ik het hoofd van Wali (8) ergens in het schuim omhoog zie komen. In de spaarzame schaduw lees ik in het meest recente boek van de natuurkundige Fritjof Capra. Hidden Connections biedt een knappe wetenschappelijke analyse van een veranderende wereld waarin voor losse, autonome onderdelen steeds minder plaats is. Capra wijst op de media – internet – als één van de krachtige integrerende fenomenen in de wereld. Ik blijf hangen bij een passage over de grensvervaging tussen commerciële en informatieve boodschappen. Hoe betrouwbaar is de berichtgeving van media die voortdurend leven onder de druk om meer winst te maken voor hun aandeelhouders? Dat zegt iets over het belang en het bestaansrecht voor een onafhankelijk initiatief als Ode. Moet ik onthouden voor mijn verhaal voor de Amerikaanse journalisten in New York.

Zaterdag

De laatste dag van de vakantie begint met het pakken van de tassen. We zijn daarin een geoliede zes-cilinder-machine geworden. Hoe anders was dat nog maar kort geleden toen een ingepakte koffer, als je even niet oplette, door een goedbedoelende dochter weer werd uitgepakt. Maar de vreugde van het inpaksucces is van korte duur. Als wij op het vliegveld komen om alvast ruim van tevoren – zes uur – in te checken voor de vlucht naar Nederland van Hélène en de kinderen, blijkt Air Holland zodanig te hebben overboekt dat er voor hen geen plaats meer is. Na twaalf uur vertraging op Schiphol, op de heenweg, blijkt goedkoop duurkoop. Van `samen uit, samen thuis' blijft helemaal niets meer over nu vijf van ons achterblijven op Aruba in de hoop dat zij twee dagen later alsnog kunnen vertrekken en ik alleen – zoals gepland – naar New York vlieg. Het is een verdrietig afscheid met tranen na twee hele fijne weken samen. Als ik langs de douane loop, besef ik dat zulk verdriet een voorrecht is.

Ik land veilig op Kennedy Airport en daar sta ik – na de dreigende berichtgeving van de afgelopen dagen – toch even bij stil. 's Avonds bel ik met Ben Zander, dirigent van het Boston Philharmonic Orchestra en co-auteur van het boek The Art of Possibility over of hij wel of niet een piano nodig heeft voor zijn optreden tijdens het Ode media-evenement in New York. Het wordt zonder piano. Zijn verhaal over de kunst van de mogelijkheden is illustratief genoeg. Zander is een entertainer pur sang die op een inspirerende wijze kan vertellen hoe in elke schijnbaar hopeloze situatie ook een nieuwe mogelijkheid ligt verborgen. Dat is de kunst die wij met Ode ook beoefenen.

Zondag

Ik zit vroeg aan het ontbijt in het hotel dat de laatste maanden bijna een tweede thuis is geworden. De oversteek van Ode naar Amerika vergt veel energie. Op mijn hotelkamer werk ik aan mijn toespraak voor woensdag. Ter inspiratie bezoek ik de grote boekwinkel van Barnes & Noble op Union Square. Ode ligt in het schap naast de Atlantic Monthly, opgericht eind negentiende eeuw en `still going strong'. Eigenlijk geloof ik nauwelijks wat ik zie. Ik blijf wachten in de stille hoop dat ik iemand een exemplaar zie kopen, maar de man die bladert, legt ons blad uiteindelijk weer netjes terug. En ik vraag me af of ooit een ander Nederlands tijdschrift deze stap over de oceaan heeft gemaakt. Terug op mijn hotelkamer werk ik aan de eindredactie van ons nieuwe nummer. Collega Marco Visscher schreef een boeiend verhaal over een vinding van Japanse wetenschappers: een cocktail van micro-organismen die tal van ziekten effectief blijkt te bestrijden met een sterke anti-oxiderende werking. Een mooi voorbeeld van een simpele aanvulling op de steeds duurdere moderne gezondheidszorg. Een mooi voorbeeld van praktische positieve berichtgeving die Ode beoogt.

Maandag

Een warrige ochtend die wordt verdeeld in gesprekken met Hélène die verwoede pogingen doet van Aruba af te komen – en alsnog op tijd in New York te zijn – en met het kantoor van Ode in Rotterdam dat na twee collectieve vakantieweken weer tot leven komt. Het kerstreces heeft 300 nieuwe Nederlandse abonnees opgeleverd. Een heerlijke opsteker. De Engelse score laat nog even op zich wachten. Ik vraag me af of mijn benieuwdheid naar dat soort getallen ooit nog zal verminderen.

Ik loop de bekende weg naar het kantoor van ons pr-bureau om de voorbereidingen voor de bijeenkomst van woensdag te bespreken. Davia Temin is enthousiast over het concept van mijn toespraak. Dat is een compliment, want ze toont zich ook regelmatig kritisch – hetgeen mij overigens het gevoel geeft in goede handen te zijn. Ik heb snel geleerd dat je deze voor ons nieuwe wereld niet met succes zonder goede partners kunt betreden. Ik ben onder de indruk van de aandacht voor details – lettercorpsen op naambadges, tips voor personeel vooraf want dat stimuleert de dienstverlening – die doorgaans aan mijn oog voorbijgaan. Na drieëneenhalf uur loop ik door een miezerige regen terug naar mijn hotel met het prettige gevoel dat Davia en haar team de organisatie onder controle hebben.

Met meer eindredactie en een pizza op de kamer komt een einde aan de dag. Bijna middernacht belt Hélène dat ze gaat opstijgen van Aruba. Uiteindelijk komt alles altijd goed.

Dinsdag

Een leuke dag. Vanuit allerlei hoeken komen vrienden in New York aan om de Amerikaanse doop van Ode bij te wonen. Sjoerd Hannema die ik vroeger wel eens plagend vroeg of hij – komende uit Twente – in onze studiestad Leiden wel zijn paspoort bij zich had, draait nu zijn hand niet meer om voor een vlucht naar New York. `Sister in arms' Corinne Heijn neemt mijn kleren mee die in de logistieke chaos van ons gezin thuis zijn achtergebleven. Puneet Ahluwalia, die vijftien jaar geleden toen ik correspondent voor deze krant was in India mijn rechterhand was en nu de Amerikaanse operatie van Ode leidt, arriveert met de auto uit Washington.

Syb Röell, onze commerciële verkenner van de Amerikaanse markt en met zijn vrouw Saskia en vijf kinderen talentvolle beoefenaar van de kunst van de mogelijkheden, is wat later, omdat hij – vanuit Boston – vlak voor New York, de verkeerde brug neemt.

Collega Tijn Touber komt uit Londen aan waar hij Graham Hancock heeft geïnterviewd over zijn opmerkelijke boek over het ontstaan van de Egyptische piramiden. Auke van Scheltinga, die al vijftien jaar in New York woont, is 's avonds onze galante gastheer tijdens een diner waarin heden en verleden naadloos samenvloeien.

Hélène arriveert bijna middernacht als laatste, nadat ze op Schiphol onze kinderen bij haar ouders heeft afgeleverd om direct weer door te vliegen naar New York. Een absurde tocht. In bed stel ik me voor hoe het zou zijn om vanuit de hemel te zien hoe mensen vanaf hele verschillende plaatsen als door een magneet naar eenzelfde plek worden getrokken. Met die gedachten val ik snel in slaap.

Woensdag

Te vroeg wakker met vlinders in mijn buik. Zo'n vervelende innerlijke stem plaagt mijn zelfvertrouwen: hoe haal je het in je hoofd om te denken dat iemand in Amerika op Ode zit te wachten? Ik ken die stem en ik weet dat hij niet tegen een koude douche is bestand.

Buiten vriest het stevig en ik loop zonder jas met stevige passen door de stad. Dat valt niet op omdat niemand elkaar op straat aankijkt in New York. Vreemd: mensen voelen zich met miljoenen aangetrokken tot dezelfde stad en vervolgens leven ze vooral langs elkaar heen.

Om vier uur bereik ik de Harvard Club, een bolwerk van traditie waar je de lancering van de vernieuwing van Ode niet zou verwachten. Ik hou van verrassing. Geleidelijk aan stroomt de zaal vol met meer dan honderd journalisten van vooraanstaande Amerikaanse media – van The Wall Street Journal tot The New York Times en van ABC en CNN tot Newsweek en Time. In mijn korte toespraak bepleit ik een nieuwe vorm van journalistiek: het verkennen en openen van mogelijkheden voor positieve verandering in plaats van het eindeloze analyseren van wat er waar dan ook mis ging. Op tal van plekken in de zaal zie ik herkenning. Misschien past het streven van Ode wel heel goed bij Amerika. Ben Zander sleept het publiek op een prachtige wijze mee naar de wereld van de kansen. Samen Happy Birthday zingen wordt een levensles. Bij het drankje na afloop oogsten we veel complimenten en enthousiasme en smeden we met ons team waardevolle nieuwe contacten. Ode heeft menig hart in de Amerikaanse media veroverd. Als we naar ons hotel lopen, heb ik zin in vuurwerk.

Donderdag 8 januari

Het boodschappenlichtje op de telefoon knippert – op de voicemail staat een enthousiaste Davia Temin: `Koop The New York Sun.' Niet nodig. De krant die een jaar geleden werd gelanceerd om met The New York Times te concurreren ligt op de ontbijttafel. Op pagina 15 vind ik een uitgebreide fotoreportage van het Ode-evenement in de `Out & About' rubriek. `Hollandse invasie in de Harvard Club', luidt de eerste zin van het artikel. De krant citeert mijn gekscherende argument voor de lancering van onze Engelse editie: `als je de `bescheiden' wens hebt om de wereld te veranderen, heb je niet veel aan de Nederlandse taal.'

Toch is het zo: het is een bevrijding om Ode's voorbeelden van positieve verandering te kunnen publiceren in een taal die veel mensen op deze wereld ook kunnen lezen. Vooral dat is de waarde van deze mooie week.