Het meisje en de revolutionair

Dertig jaar geleden trok Curaçao vooral cruise- schepen uit Amerika, nu landen er dagelijks vlieg- tuigen met voornamelijk Nederlandse toeristen. Birgit Donker keert terug naar haar geboorte-eiland.

Gek toch, dat je een geur kunt onthouden zonder het te weten. Ik heb maar weinig herinneringen aan mijn geboorte-eiland Curaçao, dat ik als vierjarige verliet. Een verjaarsfeest onder de Mahokboom voor ons huis is het enige. Dacht ik. Ook nu ik er 34 jaar later terug ben, herken ik, behalve de vochtige warmte die je bespringt zodra je de vliegtuigtrap afdaalt, helemaal niets. Totdat we langs de voormalige Shell-raffinaderij rijden en een weeë walm door het taxiraam waait. Die geur ken ik. Hij roept onmiddellijk herinneringen op aan strand, zee, mijn moeder die me aanmoedigt door een duikbril te kijken, wat mij doodeng lijkt, al die glibberbeesten te zien waar ik kennelijk tussen sta, maar als ik het toch doe, word ik betoverd door de vissenpracht. ,,Het stinkt hier vreselijk'', zegt de taxichauffeur voordat ik verder in nostalgie kan verglijden. ,,Die rook is puur gif.''

,,Het is een vergiftigde geur'', zegt ook Curaçaoënaar Stanley Brown een dag later. ,,In deze buurt kunnen geen vogels in kooien of vissen in een aquarium leven. Ze gaan allemaal dood.'' We staan in de wijk Marchena, letterlijk onder de rook van de raffinaderij, die tegenwoordig Isla heet en in Venezolaanse handen is. Marchena is een verpauperde buurt, waar de gevolgen zichtbaar zijn van de werkeloosheid op het eiland. De huizen zijn er klein, vaak verzakt, van kleur verschoten en bedekt met golfplaten. Langs de deels onverharde straten ligt afval en uitgebrande auto's. ,,Een calamiteitenbuurt'', zegt Brown. ,,Iedereen die er woont raakt na een tijdje beschadigd.'' Je kunt hier bijna kauwen op de oliewalm. De raffinaderij verderop, die eind jaren '60 nog de grootste werkgever op het eiland was, heeft tegenwoordig nog maar zo'n duizend mensen in dienst. De grootste geldbron in deze buurt is volgens Brown nu de drugshandel. Tussen de bescheiden huizen staat soms opeens een groot huis in aanbouw. Een `poederhuis', volgens Brown. Gebouwd met drugsgeld. ,,Hier geldt: alleen hij die handelt gaat omhoog.''

De vissenpracht rond Curaçao is nog even groot als 34 jaar geleden. De zilveren barracuda's, de blauwe en groene papegaaivissen en de gevlekte klipvissen zwemmen er nog steeds tussen het koraal. Dertig jaar geleden trok het eiland vooral cruiseschepen vol welgestelde Amerikanen, die niet verder kwamen dan de Breedestraat in Willemstad waar ze taxfree juwelen en porselein kochten. Tegenwoordig landen er dagelijks vliegtuigen met vooral Nederlandse toeristen die vertoeven op de stranden aan de beschutte zuidkust, zoals Avila Beach, Vaersenbaai of Port Mari. Ze komen om te snorkelen, te duiken en om te zwemmen met dolfijnen. Ze gaan ook wel naar de noordkust, naar Boka Tabla, waar de zee tegen het eiland beukt, en een grot heeft geslagen in de kalksteen. Of ze gaan naar Westpunt, om vissoep en gestoofde leguaan te eten bij Jaanchi. Als toerist, kortom, kun je je heel goed aan zee vermaken.

Maar ik ben op zoek naar wat er is veranderd op Curaçao en heb Stanley Brown gevraagd me rond te leiden. De 64-jarige Brown barst van de herinneringen aan het eiland. Hij heeft er zelfs geschiedenis geschreven. In mei 1969, twee maanden nadat ik met mijn ouders Curaçao verliet, ontketende hij er een revolutie. Samen met Amador Nita, Willy Haize en Wilson `Papa' Godett, vader van huidige politiek leiders Anthony en Mirna Godett, leidde Brown de roemruchte opstand van 30 mei '69. Het begon met een staking in de olieraffinaderij en liep uit op een protestmars vanaf het Shell-terrein naar Willemstad, gericht tegen ,,het racisme en de kapitalistische uitbuiting''. Een deel van de binnenstad werd in brand gestoken en de opstand moest met behulp van Nederlandse mariniers worden bedwongen. De leiders werden gevangen gezet, maar later gerehabiliteerd. De revolte leidde er toe dat het eilandbestuur en andere hoge posities werden opengesteld voor Curaçaoënaars van niet-Europese afkomst. De `dertigste mei' wordt tegenwoordig gezien als een breuk in de geschiedenis van het eiland en is een officiële bezinningsdag.

We staan voor het geboortehuis van Brown, een bescheiden gele woning in Groot-Kwartier, de wijk die door Shell begin vorige eeuw werd aangelegd voor getrouwde Caraïbische werknemers. Hier ruik je de raffinaderij alleen als de wind draait. Oorspronkelijk waren alle huizen hier eenvormig, maar in de loop der jaren zijn ze door de bewoners naar eigen inzicht uitgebouwd. De grote katholieke kerk op de hoek is wel dezelfde gebleven. Alleen ontbreken er twee ronde glas-in-loodramen. ,,Die schoten we met onze katapults kapot.'' Browns vader werkte hier in de jaren '40-'50 als bewaker. Zelf ging hij er begin jaren '60 weer wonen nadat hij in Nederland een opleiding tot onderwijzer had gevolgd.

In deze arbeiderswoning werkte Brown, die zichzelf de Voltaire van de revolutie van '69 noemt, aan de theoretische onderbouwing van de opstand. We blijken vlak bij elkaar te hebben gewoond. Met mijn ouders woonde ik in de aangrenzende buurt Emmastad, in een villa met overdekte veranda, waar aanvankelijk alleen Nederlandse Shell-gezinnen mochten wonen, maar dat toen al aan niet-Shell-medewerkers werd verhuurd. Terwijl Stanley Brown zich voorbereidde op de revolutie, vierde ik enkele straten verderop mijn vierde verjaardag onder die mahokboom op het grasveld voor ons huis. Het huis staat nu te koop, het grasveld, dat al jaren niet meer met Shell-water wordt besproeid, is een stofveld geworden, de mahok is dood.

De bomen op het erf van het geboortehuis van Brown daarentegen staan er goed bij. ,,Onder die amandelboom zit mijn navelstreng'', wijst hij. ,,Traditie.'' Toen zijn ouders het huis van Shell kochten, bestond het uit een woonkamer, die hoewel klein ,,de zaal'' werd genoemd, en twee slaapkamers. ,, Mijn broer en ik sliepen op een veldbed in de zaal. Als er 's avonds bezoek kwam en de bedden waren al uitgezet, moesten we ze snel weer opruimen.''

In zijn kindertijd was Groot Kwartier nog met een hek afgescheiden van het blanke Emmastad. ,,Om Emmastad binnen te mogen, moest je je als kleurling melden bij de bewaking. Mijn vader stond daar bij het hek om negers tegen te houden. Die ongelijkheid, dat was een van de redenen van 30 mei.'' Met zijn vriendjes glipte hij Emmastad toch binnen om er speelgoed van Nederlandse kinderen uit de tuinen te stelen. En om te kijken of het waar was, dat blanke vrouwen hier naakt op hun veranda dansten, zoals werd verteld.

Net als veel leeftijdsgenoten werd Stanley Brown zich pas politiek bewust toen hij in Nederland was geweest. ,,Als kind was ik me veel minder bewust van de achterstelling dan toen ik in '61 uit Holland terugkwam.'' We staan in het Hollandse Vispaleis, een Scheveningse winkel naast de Hollandsche Bakkerij in een verder geheel Curaçaose straat, waar Brown vaak komt voor de verse haring met uitjes. Hij herinnert zich hoe hij voor het Centraal Station van Amsterdam, koud in Nederland, zijn eerste haring at. ,,Ik slikte hem in een keer naar binnen en stikte bijna.'' Behalve dat hij er leerde haring eten, zag hij in Nederland grotere gelijkheid. ,,Een blanke straatveger, dat had ik op Curaçao nog nooit gezien.'' Toen hij op het eiland terugkeerde en in het huis van zijn ouders wilde gaan wonen, protesteerde het schoolbestuur. ,,Ze zeiden: in die buurt horen geen onderwijzers. Onderwijzers moesten in elitaire wijken wonen. Toen kwam ik in protest en ben er toch gebleven.''

Vraag Stanley Brown naar zijn lievelingsplek op Curaçao en hij noemt de Vlakte van Hato, een woestijnachtig gebied, begroeid met allerlei cactussen, met aan de ene kant de Atlantische oceaan en aan de andere kant oude terrassen van kalksteen. Hier oefende hij eind jaren '60 met zijn kameraden in het gooien van molotovcocktails en discussieerde hij over de revolutie. ,,We waren meer idealistisch dan realistisch.'' Terugkijkend is zijn oordeel over de opstand gemengd. ,,Er is nu meer respect voor de zwarte cultuur. Vóór 30 mei werd de Curaçaoënaar door de blanken gezien als een heiden die gekerstend moest worden en de foxtrot en de wals moest leren. En de neger accepteerde dat. Openlijk racisme en discriminatie zijn nu grotendeels verdwenen.'' Daarom, zegt Brown, is het zo belangrijk om als blanke op Curaçao, als je iemand tegen komt, die persoon ,,bon dia'' te wensen. ,,Als je dat niet doet, denkt de Curaçaoënaar: die heeft niets geleerd van 30 mei. Een winkelmeisje of een kelner die je niet begroet, zal je niet helpen. Een agent die je niet begroet zegt, schrijft onmiddellijk een bekeuring uit omdat je zogenaamd te hard reed.''

Toch hebben de `bevrijders' een grote fout gemaakt, zegt Brown nu. ,,We dachten dat we een volk waren dat door de Nederlanders werd onderdrukt en gekoloniseerd. We dachten dat als we het zouden bevrijden van het koloniale juk, de werkelijke cultuur van dit volk op zou staan. Onze denkfout was: er was geen volk, maar een groep arbeiders, zonder rolmodellen, zonder ijkpunten. Wij bevrijders hebben ook geen ijkpunten neergelegd. Toen vertrokken de broeders met hun ijkpunten en bleef er een normloze, cultuurloze gemeenschap over. En de blanke zegt nu: zie je wel, de neger is agressief, hij schreeuwt en hij slikt bolletjes.'' Streefde hij in 1969 nog naar onafhankelijkheid van de Antillen, inmiddels is Stanley Brown van mening dat de eilanden een provincie van Nederland moeten worden.

vervolg op pagina T2

`Hier zullen drie wonderen gaan gebeuren'

vervolg van pagina T1

Een tocht met Stanley Brown over het eiland leidt tot de bedrukkende conclusie dat de groei van werkloosheid en drugshandel de ingrijpendste veranderingen zijn op Curaçao. We rijden langs de nog niet zo oude volkswoningen van Seru Fortuna, die er nu al sjofel uitzien. ,,Min of meer bewust is hier een getto geschapen'', zegt Brown. ,,Er hadden ook middenstandswoningen tussen moeten komen, maar dat is nooit gebeurd.'' Hij raadt aan er vooral niet 's avonds rond te lopen. ,,Hier werd onlangs nog iemand vermoord.''

En we komen door de veel oudere, vroeger welvarende joodse wijk Scharloo, aan het Waaigat, waar veel van de huizen uitgewoond en afgebladderd zijn. De houten huisjes in de aangrenzende wijk Fleur de Marie zien er misschien van buiten beter uit, maar ,,binnen is het armoe''. De problemen die Brown schetst variëren van grootmoeders die zo gekort zijn op hun uitkering dat ook zij bolletjes slikken tot schoolkinderen die ondervoed zijn.

Als we bij een barretje langs de weg frisdrank drinken, komt een jonge vrouw naar ons toe. `Love grows in a garden' staat op haar T-shirt. Ze vraagt: ,,Heeft u drie gulden vijftig voor een aardappel?'' ,,Voor eten moet je werken'', zegt Stanley Brown. ,,Maar ik geef wel geld voor drugs.'' ,,Dat durfde ik niet te vragen'', zegt de vrouw. Ze neemt een gulden aan en loopt naar andere klanten om de resterende twee gulden vijftig te vragen die ze nodig heeft voor haar base. ,,Beter dat ze geld krijgt dan dat ze steelt.''

Dit is het Curaçao dat Stanley Brown wil laten zien aan een Nederlandse journalist. Dat ze in Nederland weten dat deze toestanden in het koninkrijk bestaan. Maar hij zegt ook: ,,Je moet niet vergeten morgenochtend vroeg naar de Floating Market te gaan, daar al het fruit te kopen dat je niet kent, wassen en onmiddellijk opeten. Wel eerst afdingen.'' En ik moet eten op de Oude Markt achter het postkantoor, waar Curaçaose mama's koken op houtskool, en waar je aanschuift aan lange houten tafels. ,,Vraag naar Zus, zij is de beste, en eet bij haar tutu met vis.'' Ik moet naar de zoutpannen gaan, bij het landhuis Jan Kok, waar roze flamingo's door het water stelten. Ik moet de indju bewonderen, de `autochtone' boom die zo veel praktischer is dan de geïnmporteerde palmbomen die je voortdurend water moet geven, waarin geen leguanen kunnen leven, die geen schaduw bieden, waar je geen meubels van kunt maken en die ingevoerd zijn, omdat toeristen dat van een Caraibisch eiland zouden verwachten. En op zondagmiddag moet ik naar het Happy Hour van Mambo Beach gaan, om me te verbazen dat daar alleen blanken komen.Aan het eind van de middag passeren we de kleurige Bon Futuro gevangenis, die niet lang geleden met Nederlands geld werd gerenoveerd. De problemen, zoals drugs, smokkel en ontsnappingen, zijn er nog steeds. De meeste mensen gebruiken dan ook nog de oude naam Koraalspecht of noemen hem spottend Bon Fututu (grote puinhoop). In 1969 zat Stanley Brown hier enkele maanden gevangen, ,,in een cel groter dan onze zaal''. Hij werd wegens zijn revolutionaire activiteiten ontslagen als leraar, maar bleef in dienst van de overheid. ,,Twintig jaar heb ik op een regeringscontract gezeten. Ik moest me twee keer per dag melden. Verder moest ik zelf werk creëren. Ik zette vooral projecten op voor langdurig werklozen.'' Op zijn vijfenvijftigste ging hij met pensioen.

Vaak heeft hij overwogen het eiland te verlaten, zoals vele Curaçaoënaars de afgelopen decennia deden. Ook zijn ouders, zijn broers en zijn kinderen wonen in het buitenland. Maar hij houdt te veel van zijn geboorte-eiland. ,,Ik heb Curaçaose wortels geschoten.'' Ongevraagd rijdt hij naar een van de mooiste plekken van het eiland, de Sint Jorisbaai. Tegen het vallen van de avond verzamelen zich hier de grote, gitzwarte fregatvogels die overdag boven de haven vliegen. Eerst een, dan twee, dan tientallen vogels cirkelen boven het eilandje in de baai, terwijl de lucht steeds donkerder kleurt. Uiteindelijk landen de vogels in de mangroven op het eilandje. Het is een adembenemend gezicht.

Stanley Brown is inmiddels geen communist meer maar kapitalist. Na de val van de Berlijnse Muur concludeerde hij dat het kapitalisme de enige ideologie is ,,geënt op de werkelijkheid van de mens''. Tot die tijd had hij, ,,als brave communist'', geen bezittingen. ,,Toen ik kapitalistisch werd, moest ik bezit hebben, dus kocht ik een stuk grond.'' Die grond, zo'n 500 vierkante meter, ligt midden in Marchena. Er staat een boom, verder niets. ,,Hier ga ik een monument bouwen. Een waterput, waar mensen kunnen komen om te mediteren. Ik beloof bij testament dat hier drie wonderen zullen gebeuren. Zodat er toeristen zullen komen en kinderen flesjes wonderwater kunnen verkopen. Dit wordt mijn laatste project. Kom hier over een paar jaar nog maar eens kijken.''

Als ik enkele dagen later vertrek van Curaçao, rijd ik weer met een taxi langs de raffinaderij. De oliewalm die binnenwaait ruikt nu helemaal niet meer naar vroeger. Maar naar een eiland dat wacht op een betere toekomst.