Het gumvraagstuk

Op het derde perron van station Den Haag Hollands Spoor raakte ik op 29 december om een uur of twaalf in gesprek met twee heren van de schoonmaakdienst. Ik had op het nippertje mijn trein gemist, en dus tijd genoeg om te zien hoe ze kauwgum verwijderden. Uit een lange, smalle buis richtten ze een straal stoom op zo'n zwarte gumplek. De taaie troep verloor zijn kleefkracht en dan konden de resten worden weggeschraapt en opgeveegd.

,,Hoeveel gum zou er op dit station liggen?'', vroeg ik. Ze hadden nog geen schatting gemaakt. We hurkten op het plaveisel en begonnen te tellen. De dichtst bespuugde tegel droeg elf vlekken, de dunste drie. Dat was dus, namen we aan, een gemiddelde van zeven. Over het hele perron gemeten is de dichtheid niet constant. Om het ons gemakkelijk te maken gingen we er vanuit, dat de meeste gumkauwers binnen het gebied tussen de twee trappen naar de in/uitgang bleven. Daar liggen ongeveer tweeduizend tegels. Dit betekent dat er 14.000 gummetjes moeten worden weggestoomd. Hoeveel zou één gumrest wegen? We konden het er niet over eens worden. Hoe kleiner een voorwerp, hoe moeilijker het gewicht te schatten. Toen kwam mijn trein en was het tijd om de vogelsoorten langs de spoorbaan te gaan tellen.

Maar de gedachte aan de gum wilde niet uit mijn hoofd. Ik probeerde me de gumberg van één jaar voor te stellen. Als vanzelf ga je dan terug naar je jeugd. Dat was in dit geval een tekenfilm met Betty Boop. Ze gaat een lift binnen, probeert nadat de deur is dichtgeschoven een stapje verder te doen. Dat gaat niet. Haar voeten zitten vast in de gumlaag. Ze dreigt haar evenwicht te verliezen, zoekt met één hand steun tegen de wand, raakt vastgegumd. Het gebeurt in een wolkenkrabber. Als ze veertig verdiepingen hoger is, heeft ze zich in gumdraden ingesponnen. Zoals dat meer gaat met wat voor kinderen leuk bedoeld is, bleek dit filmpje voor mij meer de aanzet tot een nachtmerrie te zijn. Ingesponnen worden. Later heb ik het principe teruggezien in de eerste Alien-film.

Betty Boop bloeide in de jaren dertig. (Hebt u dat gemerkt? Veel mensen voegen er dan aan toe: `van de vorige eeuw'. Reken uit hoeveel tijd met dit flauwekul-toevoegsel per dag verloren gaat.) Je had toen eetbare, dat wil zeggen doorslikbare kauwgum met vruchtensmaak, na de oorlog teruggekeerd als `Fruittella', en de echte kauwgum, vijf witte, naar pepermunt smakende stukjes, in een wikkel waarop stond Wrigley PK. Alleen om te kauwen. Onder de kinderen ging het gerucht dat, als je van het doorslikken een gewoonte maakte, de afloop fataal was. Als de smaak eraf was, moest je de lichtbeige rest uitspugen. Waar ik dat deed? Ik weet het niet meer.

Kauwgum was in de oorlog een van de eerste verdwenen artikelen. De nazi's hadden geen gum. Mijn eerste naoorlogse kauwgum heb ik gekregen van een Amerikaanse soldaat, in de trein tussen Aulnoy en Brussel, in 1945. Have a gum, zei hij, en schoof me uit een langwerpig pakje een plakje toe. Ik begon te kauwen, zoals een Amerikaanse soldaat kauwt. Achteloos, alsof ik mijn hele leven niets anders had gedaan. Het was Double Mint. Weer veel later zag ik de commercial op de televisie, met een liedje: Double your pleasure, double your fun, with Doublemint, Doublegood, Doublemint gum. Toen is er nog een variant gekomen: Double the flavor, double the fun. Double your pleasure with Doublemint gum. Volgens mij is de eerst geciteerde de oorspronkelijke.

Het heeft nog vrij lang geduurd voor Nederland op het gebied van kauwgum tot de vrije wereld ging horen. Misschien hebben we ook dit weer aan de jaren zestig te danken. Nico Scheepmaker, de grote waarnemer van alles, is de eerste geweest die er melding van heeft gemaakt: dat op het plaveisel bij scholen, op perrons, pleinen voor voetbalstadions die vlekken verschenen. In de tram begonnen de kinderen met open mond te kauwen, zo hoorbaar mogelijk. Alsof een club kabouters door de modder sopte. En dan komt voor iedere gebruiker van het openbaar vervoer het onvermijdelijke moment: dat hij, zich in een bocht aan de onderkant van de bank vasthoudend, in andermans gumrest grijpt. Of later ontdekt dat hij erop is gaan zitten.

Ga je erop letten, dan ontdek je dat de hele westelijke wereld beplakt is met uitgekauwde gum. Dat brengt me op een taalkundige eigenaardigheid. Voor bijna alles wat de rest van een massaconsumptieartikel is, hebben we een woord. Sigaret wordt peuk, auto wordt wrak, de tabakspruim een keessie. Het propje uitgekauwde gum heeft geen naam. Wat niet benoemd is, wordt ten eerste niet belangrijk gevonden, en onttrekt zich, ten tweede, gemakkelijk verder aan de algemene waarneming. Zo raken we in de vicieuze cirkel.

Wat ik op het station in Den Haag zag, bewijst dat de overheid begrepen heeft dat er iets aan moest worden gedaan. Twee man waren op het station H.S. aan het werk. Hoeveel minuten kost het verwijderen van één stukje? Nemen we aan: drie. Reken uit hoeveel werkgelegenheid de kauwgum op het totaal van alle Nederlandse stations oplevert, als we uitgaan van een vijfdaagse werkweek. Ik begin er niet aan; vermoed alleen dat we allemaal paf zullen staan van de uitkomst. Daarom geloof ik dat het tijd wordt dat dit uitgekauwde stukje gum zijn eigen naam krijgt. Een uitdaging voor de lezers van de slijpsteen voor de geest.