Handig Nederlands leren

Nederlands leren in combinatie met een gerichte beroepsopleiding werkt goed. Maar voor de leraren is deze nieuwe didactiek een grote omslag. Lesmateriaal moet `reusachtig geordend' worden.

NEDERLANDS LEREN voor de werkvloer. Dat is het uitgangspunt van het lesprogramma `Werk & Opleiding' voor langdurig werkloze allochtonen aan het ROC (Regionaal Opleidingen Centrum) van Amsterdam. In een half jaar tot een jaar moeten zij zoveel kennis van een beroep én van het daarbij horende Nederlandse taalgebruik verworven hebben, dat ze interessant zijn geworden voor werkgevers. Dus wie in de horeca wil gaan werken leert een broodje afbakken, snijden, beleggen en uitserveren. En leert tegelijk hoe dat alles in het Nederlands heet, wat hygiënisch werken is, hoe je met collega's overlegt, en wat klantvriendelijkheid inhoudt.

``Het doel van de opleiding is langdurig werkloze allochtonen in korte tijd klaarstomen voor de arbeidsmarkt en/of een vervolgopleiding op mbo-niveau'', vertelt Eline Raaphorst. Zij is beleidsmedewerker aan het ROC en werkt aan een proefschrift over de resultaten van de opleiding die in het cursusjaar 2001-2002 van start ging. Uit haar onderzoek blijkt tot nu toe dat de cursus die doelstelling waarmaakt. Niet alleen maakt ongeveer driekwart van de cursisten de opleiding af, het merendeel vindt ook een betaalde baan of een stage waarmee ze aan een beroepsopleiding kunnen beginnen. Wel zijn in de cijfers zeer duidelijk de sporen van het tanende economische tij waarneembaar. Het eerste cursusjaar (2001-2002) vonden 78 van de 206 geslaagde cursisten een betaalde baan (38%), vorig jaar waren dat er nog maar 11 van de 216 (5%). Wel stijgt het aantal cursisten dat een stage vindt bij een erkend stagebedrijf, waarmee ze aan een middelbare beroepsopleiding mogen beginnen waarbij ze vier dagen stage lopen en één dag naar school gaan. In het eerste cursusjaar vonden 67 van de 206 deelnemers een stageplaats (32%). Vorig jaar waren dat er 112 (52%).

Van de cursisten is 59% 30 jaar en ouder, 54% is vrouw en 42% is laag opgeleid (een paar jaar basisschool). Zij komen binnen na een inburgeringscursus of worden doorverwezen via de Sociale Dienst of het Centrum voor Werk en Inkomen. Als toelatingseis geldt, naast een vorm van scholing in het land van herkomst, dat ze zich aardig kunnen redden in het Nederlands: korte zinnen kunnen verstaan en lezen en zichzelf in korte zinnen verstaanbaar maken. Per beroepsgroep variëren de eisen, want een beveiligingsbeambte hoeft nu eenmaal minder goed het Nederlands te beheersen dan een administratief medewerker.

De opleiding in Amsterdam is niet uniek. Op vele ROC's worden dit soort cursussen onder andere namen (duale trajecten, geïntegreerde trajecten) aangeboden voor nieuw ingeburgerde allochtonen of werklozen die al langer in Nederland zijn. Basis voor deze ontwikkeling vormen nieuwe inzichten in de didactiek van de tweede taalverwerving, gebaseerd op ervaringen in eigen land en wetenschappelijk onderzoek uit onder andere de Verenigde Staten. Raaphorst: ``Het leren van Nederlands gaat makkelijker als het gecombineerd wordt met het leren van een beroep. Doordat je de woordenschat meteen toepast in het dagelijks gebruik beklijft het beter. Bovendien kun je met het aanbieden van woorden meer de diepte ingaan.''

Voor de leraren op het ROC heeft deze aanpak grote gevolgen. De leraren Nederlands moeten zich gaan verdiepen in de beroepen die de deelnemers kunnen leren om de bijbehorende woordenschat te kunnen aanbieden. En omgekeerd moeten de vakdocenten ook in hun praktijk- en theorielessen aandacht besteden aan de taal, iets wat ze voorheen nooit hoefden te doen. Het ITTA (Instituut voor Taalonderzoek en Taalonderwijs Allochtonen) van de Universiteit van Amsterdam doet op dit vlak veel aan deskundigheidsbevordering, traint docenten en begeleidt bij de ontwikkeling van lesmateriaal.

Op het ROC van Amsterdam is het op school aanwezige lesmateriaal met name ``reusachtig geordend'', aldus Raaphorst. ``Het meeste is er, maar het moet geordend worden rondom de werkzaamheden die de deelnemers zich eigen moeten maken. Per beroepsgroep (beveiliging, elektrotechniek, metaal, motorvoertuigentechniek, zorg & welzijn, horeca, handel en administratie) zijn tien tot twaalf handelingen benoemd die werkgevers belangrijke vaardigheden vinden voor hun werknemers. In de zorg moeten ze bijvoorbeeld leren een kamer op orde te maken: opruimen, afstoffen, stofzuigen, dweilen, enzovoorts. Rondom die handelingen worden taalverwerving en communicatieve vaardigheden gegroepeerd. Cursisten moeten opdrachten en instructies begrijpen, leren overleggen met de bewoner van de kamer en de culturele context begrijpen van hoe wij in Nederland zorg verlenen. Alles wat hiermee te maken heeft is door de docenten bijeengebracht in een samenhangend lesmateriaal. En wat er niet was is door hen ontwikkeld.”

De inhoud van de cursus is vastgesteld op basis van eisen van werkgevers en niet zozeer op de inhoud van het middelbaar beroepsonderwijs, vertelt Raaphorst. ``Daarin zit veel ballast, theoretische vakken waarover cursisten struikelen. Bijvoorbeeld een vak als maatschappelijke en culturele vorming is niet relevant voor een werkgever. Wij houden onze opleiding zo praktisch mogelijk. Maar daarmee zijn we nu in een rare paradox terechtgekomen. Wij meten ons succes af aan het aantal cursisten dat werk vindt. Maar dat is door de economische terugval drastisch verminderd. Het gros komt nu op een stageplaats terecht waarmee ze aan een mbo-opleiding beginnen. Dus moeten wij ons gaan herbezinnen op het curriculum waarvoor we hadden gekozen. Nu wordt een meer theoretische benadering misschien belangrijker.''

De deelnemers die de opleiding afronden komen terecht in banen waarin ze hand- en spandiensten verlenen aan hun gediplomeerde collega's. Bijvoorbeeld in de thuiszorg of in een verzorgingstehuis waar ze iemand naar de kapper of de fysiotherapeut mogen begeleiden en lichte huishoudelijk werk verrichten. Om verder te komen volgen velen interne opleidingen of gaan toch verder met een middelbare beroepsopleiding. Hoe het hen vergaat wordt gevolgd door Raaphorst, die voor haar onderzoek tot anderhalf jaar na het afronden van de opleiding contact houdt met de cursisten. Zij verwacht haar proefschrift over drie jaar af te ronden.