Enigmatisch fossiel blijkt na een eeuw een larve van een longvis

Meer dan honderd jaar hebben paleontologen er hun hoofd over gebroken, maar eindelijk is het probleem opgelost: het fossiel Palaeospondylus gunni blijkt de larve van een longvis te zijn. Daarmee is het tegelijk de oudst bekende larve van de gewervelde dieren (Nature, 25 dec).

Het fossiel, dat voor het eerst in 1890 werd ontdekt, was om diverse redenen raadselachtig. Zijn anatomie was bijvoorbeeld zo verwarrend dat onderzoekers een eeuw geleden tal van nieuwe namen moesten gebruiken om de diverse structuren te beschrijven. Een ander merkwaardig feit was dat het fossiel werd gevonden in gesteenten van zo'n 385 miljoen jaar oud (Midden-Devoon) in de Achanarras Groeve in Caithness (Schotland), maar dat het nooit ergens anders is aangetroffen. Toch ging het niet om een unieke vondst, want in de groeve in Caithness wemelt het van deze fossielen.

Het fossiel, waarvan de exemplaren in grootte variëren van een halve tot zes centimeter, werd aangetroffen in sedimenten die op de bodem van een meer moeten zijn gevormd. In dezelfde afzettingen werden ook andere fossielen aangetroffen, waaronder dertien geslachten van vissen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige van de vroegere onderzoekers het fossiel indeelden bij de kaakloze vissen, Placoderma (een uitgestorven klassse van vissen), de rogachtige vissen, haaiachtigen of haringachtigen. Anderen meenden echter dat het ging om een soort kikkervisje. De juiste inpassing in het dierenrijk wordt bemoeilijkt doordat de toch al spaarzaam bewaard gebleven zachte weefsels bijna geen enkel detail meer vertonen.

Keith Thomson, Mark Sutton en Bethia Thomas (allen van het Oxford University Museum of Natural History) sneden de fossielen in alle richtingen in dunne plakjes. Met behulp van een aftastende straal reconstructrueerden zij vervolgens de driedimensionale vormen van de diertjes. Die vergeleken ze met de vormen van tal van recente organismen. Uit dit onderzoek is gebleken dat het moet gaan om de larve van een longvis; veel van deze larven werden gekenmerkt door een grote zwemblaas, maar het meest opmerkelijke detail dat zo gevonden werd was dat vooraan de kop een uitstekend gedeelte zat, dat mogelijk diende om zich vast te zuigen. Dergelijke organen zijn weliswaar niet bekend van recente longvissen, maar de geslachten Lepidosiren en Protopterus hebben een soort schijf om zich vast te hechten. Toen eenmaal duidelijk was dat het om een larve gaat, bleken tal van eerder moeilijk benoembare structuren plotseling in het plaatje te passen.

In de Achanarras groeve komt één soort longvis voor: Dipterus valenciennesi. Het is tevens de meest voorkomende soort vis. De onderzoekers menen dat het, ondanks gebrek aan duidelijke aanwijzingen, voor de hand ligt dat Palaeospondylus gunni de larve van deze longvis is. De larven zouden een ingrijpende metamorfose hebben ondergaan bij hun overgang van het ondiepe milieu waarin ze opgroeiden naar de diepere delen van het meer waar de longvis leefde.