En weer strijden de vossen en de leeuwen

De oude dame keek ontsteld. Gefascineerd had ik geluisterd naar haar bekakte accent. Het klonk mij curieus in de oren en ik besefte dat het zeldzaam was. Geen wonder dat ik me eerder een cultureel antropoloog voelde, geïnteresseerd in het stemgeluid van een vrijwel uitgestorven stam, dan een journalist die het levensverhaal van deze jonkvrouw uit de oude Haagse elite wilde registreren. Maar toen ik mijn recorder aan wilde zetten, reageerde ze als door een wesp gestoken.

,,U gaat ons gesprek toch niet opnemen?''

,,Dat is wel mijn bedoeling'', antwoordde ik.

,,Nee, dat is onmogelijk'', reageerde ze. ,,Als een luisteraar mij hoort, denkt hij dat ik gaga ben.''

,,Gaga?''

Ik had geen enkele reden aan haar verstandelijke vermogens te twijfelen. Maar ze sprak de taal van de oude elite en realiseerde zich dat ze niet meer zou worden begrepen in dit populair culturele tijdperk. Ze voelde er weinig voor om voor gek te worden verklaard.

De oude elite heeft het zwaar. Geen aanzien, geen respect. De nieuwe elite staat in de schijnwerpers. Zij wordt beter begrepen door de massa, past beter in het huidige tijdsgewricht met tv-spelletjes als `Ja ik wil een miljonair', met de miljonairsbeurs in de Rai, met glossy magazines als `Miljonair' en `Miljonair Fashion' en de gelikte `Miljonair Guide 2004'. Ze laat geen gelegenheid voorbij gaan haar rijkdom te etaleren. En de massa identificeert zich er maar al te graag mee, want bovengenoemde bladen zullen vooral worden gekocht door degenen die het walhalla voorlopig nog niet hebben betreden en dat waarschijnlijk ook nooit zullen doen.

Als we de laatste Quote-500 mogen geloven is driekwart van de rijkaards afkomstig uit de oude elite. Economisch gezien niets aan de hand, maar cultureel is ze op haar retour. De statussymbolen waarmee ze zich ooit omringde zijn gedemocratiseerd en voor menigeen verkrijgbaar. En dus niet interessant meer. De paraplu, verre reizen, zalm en oesters behoren inmiddels tot de `gezonken cultuurgoederen', zoals sociologen dat noemen.

Ingetogen, soms ietwat ascetisch leeft ze voort. Geen nastrevenswaardige attitude, vindt de nieuwe elite die er juist alles aan doet haar rijkdom te tonen en aandacht te trekken. Een Bentley, een eigen jet en een prominente plaats in roddelrubrieken en -bladen. In de ogen van de oude rijken misdragen de nieuwe zich.

`Conspicious consumption' noemde Thorstein Veblen, de Amerikaanse socioloog van Noorse origine, eind negentiende eeuw dit streven om status te demonstreren. De nieuwe elite zou zich ook in de negentiende eeuw al op grote schaal aan deze `verdachte consumptie' schuldig maken. Met zijn magnum opus `The theory of the leisure class' bekritiseerde Veblen de nouveau riche van de Verenigde Staten de Vanderbilts en de Harrimans. Met juweeltjes van `petite sociologie' beschreef hij de cultuur van de nieuwe elite, zoals het corset, in zijn ogen een kostbaar, nutteloos en schadelijk kledingstuk dat slechts de financiële draagkracht van de elite moest tonen.

De nieuwe elite verwierf haar rijkdom op nieuwe, risicovolle markten. Eeuwen geleden al. Zo was de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) met nieuwe producten als peper, nootmuskaat en opium de motor achter de economische groei in de Gouden Eeuw. Met de West-Indische Compagnie (WIC) verdiende de nieuwe elite aan de slavenhandel. Markten waar de oude, gevestigde elite haar neus voor ophaalde. De winsten waren ongekend en maakten families als Huydecoper, Van Loon en Trip schatrijk. Behalve rijkdom wisten ze met succes bestuurlijk aanzien te verwerven. Van vader op zoon werden de hoogste overheidsfuncties bekleed waarmee deze zelfbenoemde jonkheren zelfs de adel en de stadhouder naar de kroon staken. Eeuwen later, tijdens de industriële revolutie aan het eind van de negentiende eeuw, manifesteerde de nieuwe elite zich in de spoorwegen, de textiel- en machine-industrie. Industriëlen als Philips, Stork, Fentener van Vlissingen noemden zich patriciaat en troefden de jonkheren met succes af.

Het botert zelden tussen de oude en nieuwe rijken. Toen de Amsterdamse De Groote Club, bolwerk van het patriciaat, in de jaren zestig van de twintigste eeuw bijna failliet ging, duurde het even voor ze noodgedwongen fuseerde en een verstandshuwelijk sloot met de Industrieele Club. De oude heren uit de grachtengordel keken met enig dedain naar de self-made nouveaux riches die `zaken deden' in hun club. Nee, soepel verloopt de relatie niet. Enerzijds wil de nieuwe elite er dolgraag bij horen, anderzijds kijkt ze er op neer. Dat laatste geldt trouwens ook voor de oudjes: ze moeten niets hebben van die nieuwlichters die hen bedreigen en zich niet weten te gedragen.

De animositeit tussen de elites wordt ingegeven door de vraag wie de leiding van de maatschappij op zich zal nemen. De Franse socioloog Claude Henri de Saint-Simon had de nieuwe elite hoog in het vaandel. Hij stelde begin 19de eeuw zelfs voor hen de `industriels' – de leiding van de samenleving op te dragen. Zij hadden tenslotte, in tegenstelling tot de `fainéants' (generaals, bureaucraten en geestelijkheid), een natuurlijk gezag tegenover de arbeiders die hen in de fabriek reeds als leidinggevend accepteerden. Bovendien zou de industriële bourgeoisie efficiënter en goedkoper zijn dan de geldverslindende bureaucratie van de `fainéants'. Zou Saint-Simon erg teleurgesteld zijn geweest dat onze hedendaagse nieuwe elite een jammerlijk mislukte poging deed haar politieke gezag te vestigen via de LPF? En zou hij ze nog eens aanraden een nieuwe coup te plegen?

l'Histoire est un cimétière d'aristocraties, beweerde de Italiaanse socioloog Vilfredo Pareto. Ook bepleitte hij de wenselijkheid van overheersing door een kleine richtinggevende elite, zonder aan te geven of het de oude of nieuwe elite moest zijn. Het zou de democratie goed doen. De geschiedenis wordt volgens hem bepaald door een voortdurend gevecht om de macht tussen kleine elitaire groeperingen. Een strijd tussen een flexibele, vernieuwingsgezinde en een starre, behoudzuchtige elite ofwel, zoals Pareto het noemde, tussen `vossen' en `leeuwen'. Maar wie is de vos en wie de leeuw? Ik moet denken aan de sober geklede Haagse jonkvrouw in haar eenvoudige, maar stijlvol ingerichte woning. Eeuwenlange familiaire macht had haar een gezaghebbende uitstraling en een zekere waardigheid gegeven. Iets vanzelfsprekends. Zou Nina Brink het ooit zo ver schoppen?