Eerste week van een stopper is `taai als kauwgom'

Het aangescherpte rookverbod is een reden te meer om met roken te stoppen. Per 1 januari stopten volgens NIPO-onderzoek bijna een miljoen Nederlanders. Het verslag van de eerste rookvrije week van een stopper.

De laatste avond van deze roker liep alles mis. Oudejaarsavond bij vrienden. De laatste sigaretten, we gaan eens flink paffen, het pakje moet op, morgen, morgen is alles voorbij, morgen begint de ellende. Maar na de eerste sigaret komt de gastvrouw langs, fluisterend: ,,Kunnen jullie niet buiten roken? Ome Jan heeft astma.''

Dat betekent niet twintig keer rustig roken, deze laatste avond, twintig keer genieten van wat morgen een verboden vrucht is, maar twintig keer blauwbekken in de winterkoude tuin, kleumend, vloekend op Ome Jan. Al helemaal als we, ver na middernacht, Ome Jan betrappen op het roken van een sigaartje. Als we naar huis gaan, is het nieuwe jaar twee uur oud, schuimen we van verontwaardiging, wensen we Ome Jan naast astma vele andere ziektes toe en zijn we ex-rokers.

Het is niet de eerste keer dat ik stop. De vorige keer hield ik het ruim een jaar vol. Tot ik die ene sigaret opstak die een ex-roker zich onder geen enkele omstandigheid kan veroorloven – die ene sigaret die niet bestaat.

Want die ene sigaret neemt de drempel weg, heft het zelfopgelegde taboe op tabak op. Die ene sigaret is de kleine zonde die je begaat in de verkeerde veronderstelling dat die kleine zonde geen grote wordt.

Fout. Want die ene sigaret wordt binnen de kortste keren gevolgd door een tweede, en voor je het weet – pakweg binnen drie weken – ben je even verslaafd als vroeger: twee pakjes per dag en een ademhaling die zo piept dat je er 's nachts wakker van wordt, en aderen die dichtlopen en pijn doen, en een hoest die doet vermoeden dat op een kwade dag je longen en je maag mee naar boven komen. Nooit meer `die ene sigaret' – dat is het heilige devies, het heilige voornemen. Het heilig moeten, want die longen en die maag hou ik liever op de plek waar ze al heel lang zitten.

Een week later valt het net zo mee en net zo tegen als de vorige keer. Roken doe je met je lichaam. Het lichaam zegt in het begin dat het graag een sigaret wil en doet dat elke paar seconden. Voordat je het lichaam goed en wel hebt terechtgewezen, herhaalt het het dringende verzoek. Dat is vermoeiend en lastig, vooral omdat je met al dat eindeloze terechtwijzen geen tijd meer hebt voor iets anders. Dat betekent concentratieverlies, ergernis, irritatie, een rothumeur. Een trage wanhoop.

Daarbij komt dat het lichaam gewend is op bepaalde tijdstippen te roken. Na het eten. Na het opstaan. Voor het naar bed gaan. Tijdens de wandeling van A naar B. Na de koffie. Na thuiskomst van het werk. Bij de borrel. Bij een gesprek. Op al die tijdstippen wordt het verzoek om een rokertje nog dringender, nog agressiever, nog venijniger dan de rest van de eindeloze dag. Het lichaam moet van die extra behoefte af. Hoe doe je dat?

Roken doe je met je lichaam. Stoppen met roken doe je tussen de oren. Daar ligt het besef dat je jezelf vergiftigt, het besef dat verlangen naar een sigaret betekent dat je een roker wilt zijn, en dat wil je niet meer zijn, daar komt al dat lichamelijke ongemak vandaan, de wetenschap dat je straks je longen uitspuugt. Het besef ook dat je ooit een niet-roker bent geweest die daar niet noemenswaardig onder gebukt ging, en dat je er meer dan een vol jaar mee bent gestopt tot je die ene sigaret opstak die niet bestaat. En jee, de wereld is vol ex-rokers.

Zeker, de dagen zijn langer geworden. Trager. Stroever. Er zit veel kauwgom in – soms lijkt het alsof je erdoor moet waden. Er zit ook meer klokkijken in de dag. Je gaat vroeger naar bed. Je eet meer, drinkt meer. Je bent nerveuzer. Je let op rokers en loopt er omheen. Maar je weet: het gaat lukken. Als je het niet zeker weet – als je zegt: ik hóóp te stoppen, of: ik wil stoppen – lukt het niet. Er is geen keus. En dat nerveuze slijt wel. De concentratie komt ook wel weer terug. Het is afzien. Maar het is tijdelijk. Het lukt, want die ene sigaret, die roken we gewoon nooit meer.