De stelling van Maurits Barendrecht: de pers moet strakker aan banden worden gelegd

De politiek en de rechterlijke macht schieten tekort bij de correctie van fouten in de media, zegt hoogleraar Maurits Barendrecht tegen Folkert Jensma. Strakkere juridische regels zijn geboden om afglijden van de pers voorkomen.

`Persbreidel' kende ik eigenlijk alleen als scheldwoord; pas in uw stuk in het Nederlands Juristen Blad (no. 38) zag ik het als ideaal geformuleerd. Is persvrijheid zo'n bedreiging geworden?

,,Als je zo'n term gebruikt, trek je aandacht, heb ik gemerkt. Maar volgens het format van de pers moet ik nu meteen ergens de zwartepiet neerleggen, terwijl ik vooral een probleem tussen pers en maatschappij wil oplossen.''

Wat is het probleem?

,,Ik neem wel een zeker afglijden waar. Maar mijn invalshoek is niet dat de pers het zo slecht doet, maar meer: hoe kunnen we het leven beter maken? Ik neem waar dat mensen enorm klemgezet kunnen worden door de media. Dat kan dan een begrijpelijk bijproduct zijn van een vrije pers. Maar ik vind wel dat je moet nadenken of we de negatieve gevolgen kunnen inperken. Wat ik veel gezien heb het afgelopen jaar, is dat er half uitgezochte kwesties op de nieuwsagenda komen, dat privacy geschonden wordt en reputaties worden geknakt met bij elkaar geknipte verhalen. Media hebben een grote invloed op de agenda van het publieke debat. Het beeld dat je van politieke tv-verslaggeving krijgt is er één van politici die elkaar permanent afslachten. Dat is een soort journalistiek format en dat heeft weer invloed op het gedrag van mensen op straat. Als politici met elkaar verkeren, zijn ze veel constructiever dan het beeld dat van hen geschilderd wordt.''

U schrijft: Nederlandse politici kunnen niet vrijuit denken, spreken en debatteren, omdat de pers ongestraft iedere uitlating uit zijn context mag halen.

,,Ja, dat mag ook in de krant. De manier waarop politiek wordt verslagen, heeft een `verkillend' effect op het politieke debat.''

Maar de pers wordt wel degelijk `gestraft'. Er is tuchtrechtspraak, de rechter, beroepsethiek, marktwerking. Ook de politiek heeft mogelijkheden.

,,Maar vraag niet hoe. Eerst naar de Raad voor de Journalistiek voor een beroepsmatige toetsing, dan naar de kort-gedingrechter om herstel of rectificatie en dan een bodemprocedure voor schadevergoeding. Het is duur, erg traag en meestal niet verstandig om te doen. De rechtspositie van de benadeelde moet echt worden versterkt – dat heeft een Tilburgse collega goed uitgezocht (NJB 38, L. Harinxma thoe Slooten - red.) Politici durven niet met kritiek, laat staan met voorstellen voor regels te komen. Die wegen natuurlijk de voor- en nadelen van hun handelen. Die discussie over satire liet goed zien hoe moeilijk het is om hier iets over te zeggen. Je zorgt er vooral voor dat je neergesabeld wordt.''

Het leerstuk van de onrechtmatige perspublicatie is vrij omvangrijk, er is veel jurisprudentie. Je zou zeggen: regulering genoeg.

,,Ja, maar er zijn toch maar weinig heldere criteria. De rechtspraak werkt met een hele waslijst van factoren die moeten worden afgewogen, terwijl het ook helder en kort kan. Dat zie je bijvoorbeeld in Duitsland. Daar mag je bijvoorbeeld niet publiceren over mensen die ziek zijn, of die in psychische problemen zitten. Dáár mag een blad als Privé echt niet berichten over medische complicaties bij kinderen van politici. Dáár mag Willibrord niet met een cameraploeg op iemands tuinpad gaan staan. Als je dat soort regels in de vorm van een persstatuut geleidelijk kan invoeren, dan zouden serieuze media kunnen voorkomen dat ze worden meegezogen in de lage kwaliteit van anderen. In het Verenigd Koninkrijk geldt de regel dat een gepubliceerde roddel altijd voor rekening van het medium komt dat het publiceert, ook als het aan een eerdere bron wordt ontleend. In Nederland is er jurisprudentie dat je geen recht van spreken meer hebt als je wordt kapotgeschreven mede op basis van oude onwaarheden waartegen je je niet hebt verzet. Dat dwingt je dus om constant alle media te volgen om reputatie te bewaken. Dat is absurd.''

U bepleit risico-aansprakelijkheid voor perspublicaties. Dus wie schade veroorzaakt moet in beginsel dokken, ongeacht de schuldvraag.

,,Volgens mij kun je reputatieschade door een perspublicatie net zo behandelen als blikschade bij auto's, zonder dat de vrijheid van meningsuiting echt in gevaar komt. De techniek van het produceren van nieuwe informatieproducten is zo ver gevorderd dat redacties best weten hoe die berichten veilig gemaakt kunnen worden voor schade aan derden. Media kunnen redelijk weten wanneer mensen het gevaar lopen ernstig beschadigd te worden. In die situaties kun je aan risico-aansprakelijkheid denken. Daar kun je je dan ook tegen verzekeren. En vergeet niet: media kunnen natuurlijk zelf heel veel doen om schades te herstellen. Die rectificaties die je nu ziet... dat lijkt natuurlijk nergens op. Dat komt totaal niet in de buurt van het rehabiliteren van een persoon. Dat zou ook heel veel schade kunnen wegnemen.''

Dan mag ik wel drie advocaten in vaste dienst op de eindredactie aanstellen om ieder bericht juridisch te laten afstempelen.

,,Dat heeft vooral te maken met het rechtssysteem waar we in zitten – dat zou ook anders kunnen. We moeten toe naar een snellere en meer praktische vorm van conflictoplossing, waar partijen met elkaar over een oplossing onderhandelen met als stok achter de deur de beslisser die de knoop doorhakt. Die moet dan alles kunnen regelen: schadevergoeding, herstel, rectificatie. En dat alles liefst binnen een maand. Van dat soort termijnen dromen proceshervormers als ik.''

Waar komt dan de regelgeving vandaan?

,,Ik vind de manier waarop de commissie-Tabaksblat functioneerde interessant. De sector brengt zichzelf tot regulering, met de politiek als dwingende instantie op de achtergrond. Er zijn nu `best practices' geformuleerd, bredere doelbepalingen en minimumnormen. Dat zou voor de media ook kunnen, hoewel ik me realiseer dat kranten als deze het niet makkelijk met Privé en Story eens zullen worden. Wetgeving is vaak erg negatief. Dit mag niet en dat mag niet. In dit type regelgeving zit een leerproces. Dan kan je op termijn ook aan een toezichthouder gaan denken, die systematisch persgedrag beoordeelt. En dan af en toe eens een boete uitdeelt.''

U schrijft dat u niet begrijpt waarom reclame niet misleidend mag zijn en krantenkoppen, streamers, tv-trailers, tijdschriftcovers en al die andere journalistieke lees- of kijkoproepen kennelijk wel.

,,Je kunt natuurlijk zeggen dat je als lezer of kijker van journalistieke producten weet dat je belazerd wordt. Maar economen zeggen dat als je niet reguleert, de slechte kwaliteit de goede kwaliteit de markt uitdrijft. Op een recente omslag van Vrij Nederland met als kop `Mishandelde Mannen' stond als uitleg `Vrouwen slaan net zo vaak als mannen.' Pas als je het artikel las, begreep je dat de suggestie niet klopte. Vrouwen slaan weliswaar ook, maar mannen slaan harder en veroorzaken meer letsel. Als je eerlijke koppen afdwingt, bevorder je eerlijke concurrentie.''

Maar vrijheid van meningsuiting impliceert dat er informatie kan worden verspreid die verwarrend is, choquerend of kwetsend. Niet iedere mededeling behoeft honderd procent juridisch waterdicht afgezegend te zijn voordat die de samenleving in mag.

,,Dat is waar. Maar je kan ook doorslaan. Er is nu wel heel weinig controle. Ik ben erg uitgekeken op de grondrechten. Die zijn vaak geformuleerd in tijden waarin heel andere problemen speelden. De laatste keer dat vrijheid van meningsuiting in het geding was, was in de Tweede Wereldoorlog – dat is in 1945 opgelost.

,,Misschien komt het nog wel eens terug. Maar nu gaat het er toch om een hogere kwaliteit voor de samenleving te bereiken. Je kunt best een hele alerte en scherpe onthullingjournalistiek hebben, waarbij er toch meer respect is voor mensen. Waarom zou je stukken waarin karaktermoord wordt gepleegd onder de vrijheid van meningsuiting brengen? Moet dat nou kunnen? Is daar een hoger belang mee gediend? Kan dat niet genuanceerd? Is het dan zo erg om media te reguleren?''