De integratiemachine

Is de integratie mislukt? Bestaat er een multicultureel drama? Volgende week geeft een parlementaire onderzoeks- commissie antwoord op die vragen.

Maar er liggen al stapels rapporten en analyses. De Nederlandse samenleving slaagt er voortdurend in nieuwe groepen immigranten op te nemen. Dit gaat gepaard met wrijvingen, maar die blijken telkens van zeer tijdelijke aard.

De Twentse industriesteden vormden in de nazomer van 1961 regelmatig het decor van opstootjes waarbij Italianen en Spanjaarden tegenover Nederlanders stonden. Op de avond van zaterdag 2 september wist de politie in Oldenzaal de groepen van tientallen Nederlandse en Italiaanse jongemannen nog uit elkaar te houden, beschrijft Will Tinnemans in Een gouden armband, een studie naar de geschiedenis van de Mediterrane immigratie in Nederland. Ze kon echter niet voorkomen dat een Italiaan in de loop van de avond door vier Nederlanders het ziekenhuis in geslagen werd. Zijn landgenoten begonnen daarop voorbijgangers lastig te vallen. Om te voorkomen dat de zaak helemaal uit de hand liep, begeleidde de politie hen terug naar Casa Cortina, het vrijetijdscentrum dat de werkgevers voor hun gastarbeiders hadden ingericht.

De volgende avond stonden plots vijftig Italianen in de vestibule van het Sint-Jozefgebouw, eigendom van de katholieke arbeidersbeweging, die hier elke zondagavond dansgelegenheid bood. De beheerder van Sint Jozef wilde hen niet over de vloer hebben en alarmeerde de politie. Voor dansgelegenheden in de regio was het de gewoonste zaak van de wereld om Italianen te weren. E prohibito l'ingresso a Italiani stond er op een bordje bij de deur.

De politie was op volle sterkte aanwezig na de gespannen situatie van de avond daarvoor en dreef de Italianen het gebouw uit. Degenen die niet wilden vertrekken werden vervolgens met de wapenstok ,,op hardhandige wijze uit elkaar gedreven''.

Intussen deed in Enschede het gerucht de ronde dat er bij gevechten in Oldenzaal een Italiaan was gedood. Een grote groep landgenoten wilde verhaal halen in de buurgemeente, maar de politie blokkeerde het station. De Italianen lieten zich zo gemakkelijk niet tegenhouden: ze pakten de fiets.

De politie in Oldenzaal had versterking opgeroepen van de korpsen uit de buurgemeenten, van de rijkspolitie en van de marechaussee. Bij de gemeentegrens wachtte de marechaussee de Italianen op, `verwijderde' hen hardhandig van hun fietsen en stuurde hen terug. Het bleef nog de hele nacht onrustig. Met stokken bewapende `burgers' wilden afrekenen met de `spaghettivreters'. Groepen woedende Italianen gooiden ruiten in van woningen en auto's. De nachtploegen in de textielfabrieken kwamen niet opdagen. Ook de volgende dagen werd er door vele honderden buitenlandse arbeiders gestaakt. De politie stelde bewaking in voor Casa Cortina dat werd belaagd door groepen met stenen gooiende jongeren. Een daverende onweersbui koelde de gemoederen ten slotte enigszins af.

In sussende verklaringen riepen de burgemeesters van Enschede en Almelo, en een week later ook die van Oldenzaal, op tot verdraagzaamheid. Ook het kabinet besprak de hardhandige Twentse kennismaking met de multiculturele samenleving. De Tweede Kamer sprak van ,,beschamende taferelen''. Staatssecretaris Roolvink (Sociale Zaken) meende dat de `wrijvingen' geen reden moesten zijn om de werving van gastarbeiders te staken.

Lees voor Italianen Marokkanen, voor Oldenzaal Amsterdam-West en we zijn beland in 2003, inclusief de oproepen tot verdraagzaamheid van burgemeesters. Incidenten bepalen het maatschappelijk debat over de positie van nieuwkomers, toen en nu. Incidenten vormen tevens grond voor de conclusie dat integratie is mislukt en dat er dringend wat moet gebeuren. Dit gevoel voor urgentie is de rode lijn die loopt van Hans Janmaat via Frits Bolkestein, Paul Scheffer en Pim Fortuyn naar de parlementaire onderzoekscommissie die nu broedt op haar eindverslag.

Ook het ressentiment van toen lijkt op het huidige. `Voor ons kan niks, voor hen kan alles', was de teneur. ,,Voor buitenlandse werknemers werden allerlei dingen gefinancierd die aan de neus van Nederlandse werknemers voorbij gingen'', zegt vakbondsbestuurder Herman Bode in het boek van Tinnemans. ,,Ze kregen hun reiskosten vergoed, ze lagen bij iemand in de kost, ze kregen extraatjes voor de vakantieperiode.''

Met die Italianen en Spanjaarden is het uiteindelijk toch nog goed gekomen. Anno 2003 heeft de tweede generatie in schoolprestaties en positie op de arbeidsmarkt de achterstand op autochtonen goeddeels ingelopen. Van de huwelijken uit de afgelopen vijf jaar was ruim 80 procent met een autochtoon. De nakomelingen van de ooit ongewenste vechtersbazen gaan vrijwel volkomen op in de Nederlandse samenleving – ruim veertig jaar later. Ze zijn zo onproblematisch geworden dat ze afzonderlijk niet meer in de gangbare statistieken over schoolprestaties en werkloosheid voorkomen: beleidsmakers zijn niet meer in hen geïnteresseerd.

Vechtpartijen

Wat meestal ontbreekt in bijdragen aan het debat over integratie van nieuwkomers zijn expliciete maatstaven: wanneer is integratie geslaagd? Hoe snel moet dat gaan? Na hoeveel jaar moeten de schoolprestaties van de kinderen van immigranten niet meer te onderscheiden zijn van die van autochtonen? Na hoeveel jaar moet je op de arbeidsmarkt geen verschil meer zien? Of op de huwelijksmarkt? Wat is eigenlijk realistisch om te verwachten? En in hoeverre is dat allemaal met beleid te beïnvloeden?

De grootste groep immigranten in Nederland is afkomstig uit Indonesië. Inclusief de tweede generatie – degenen die in Nederland zijn geboren – gaat het nu om iets meer dan 400.000 mensen. In de jaren dat zij naar Nederland kwamen is een expliciet spreidings- en assimilatiebeleid gevoerd. Dat ging zo ver dat er maatschappelijk werksters op bezoek kwamen die vertelden dat ze aardappels moesten eten en geen rijst. De ontvangende samenleving had er een hard hoofd in. ,,Maar zij zijn niet bestand tegen het klimaat, kunnen zich niet aan de Nederlandse leefwijze aanpassen en zijn in het algemeen niet `Holland-minded''', schreef de NRC in 1951 in een achtergrondartikel. Er was sprake van grote aantallen mensen ,,die het zeer moeilijk hebben, in feite niet aan het werk kunnen komen, ernstige psychologische weerstanden ondervinden bij de inpassing in de Nederlandse samenleving en geen kans zien zich te handhaven in de sociale laag, waartoe zij behoren''.

Niets wees erop dat de integratie van – toen, nog zonder nakomelingen – 300.000 nieuwkomers van een leien dakje zou gaan. In buurten met grotere concentraties Indische Nederlanders, zoals in Den Haag, waren gespannen situaties en vechtpartijen tussen Indische en Hollandse jongens aan de orde van de dag.

Toch is zowel de spreiding als de assimilatie uiteindelijk geslaagd. Afgezien van wat pasar malam folklore is deze groep nauwelijks nog herkenbaar in de samenleving. In de afgelopen jaren trouwde 86 procent van de huwenden van Indische komaf met een autochtoon, zodat ook de zichtbare etnische component gestaag verwatert.

Treinkapingen

Helaas is er weinig bekend over hoe dit integratieproces zich precies heeft voltrokken. Hoe deden Indische kinderen het op school, in vergelijking met autochtonen? Hoe lang duurde het voordat ze hun achterstand hadden ingehaald? Hoe snel hadden mensen werk? Hoeveel verdienden ze, in vergelijking met autochtonen? Het zijn maatstaven die tegenwoordig voor Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen opduiken in rapporten van SCP, CBS, WRR en andere instituten. Maar bij gebrek aan historische statistieken is de integratie van nieuwere immigranten kwantitatief niet langs de maatlat van hun voorgangers te leggen.

Het is een typische consequentie van het onderzoeksbeleid: vrijwel al het onderzoek over integratie van nieuwkomers wordt verricht in opdracht van ministeries, gemeenten en andere beleidsinstanties. Gevolg is dat er vooral onderzoek wordt gedaan naar categorieën die problemen veroorzaken: de opdrachtgever wil immers die problemen oplossen. Indonesiërs veroorzaken al jaren geen problemen, dus daar wordt geen onderzoek meer naar gedaan. Een kans om te leren van succesvolle integratie is daarmee verkeken.

Er is een uitzondering: de Molukkers (inclusief hun nakomelingen ruim 40.000 personen). Zij veroorzaakten wél problemen, met name de tweede generatie. Zij kaapten in de jaren zeventig treinen, en ze waren vooral langdurig en massaal werkloos. Begin jaren tachtig zat 38 procent van de gehele Molukse beroepsbevolking zonder werk. Onder jongeren bedroeg de werkloosheid zelfs 50 procent, een percentage dat Turken of Marokkanen nooit hebben gehaald. Het zogeheten Duizendbanenplan moest hierin verandering brengen. Speciaal voor deze groep werden allerlei cursussen georganiseerd, onder meer in de automatisering. Een Nederlandse instelling, IVIO in Lelystad, zocht actief naar banen in heel Nederland, zowel bij overheden als bedrijven. Tegelijk zocht een Molukse organisatie Molukse jongeren die wilden en konden gaan werken, al dan niet na gerichte scholing. Ook wie al tien jaar werkloos was kwam in aanmerking.

Het lukte. Uiteindelijk werden zo 1.200 Molukkers aan het werk geholpen. ,,Daar kwam nog een succes overheen'', licht de Rotterdamse hoogleraar economische sociologie Justus Veenman toe. Hij doet al twintig jaar onderzoek naar de arbeidsmarktpositie van Molukkers. ,,De toeloop van Molukse jongeren naar banen had een inktvlekwerking binnen de gemeenschap. Ze motiveerden elkaar om te gaan werken.'' Het aandeel werklozen nam van begin jaren tachtig tot 1990 af van 38 naar 15 procent. Inmiddels bedraagt de werkloosheid 5 procent, net boven die van autochtonen en ruim onder die van Surinamers en Antillianen. De onderzoekers van het Hilda Verwey-Jonker Instituut verbazen zich er in hun bronnenonderzoek ten behoeve van de parlementaire onderzoekscommissie over dat er met de ervaringen van dit uiterst succesvolle project nooit meer iets is gedaan. Probleem opgelost, project beëindigd – en vergeten. Met gericht beleid kan integratie dus wel degelijk worden bevorderd, we leren er alleen weinig van.

De komst van de Indische Nederlanders ligt nu veertig tot vijftig jaar achter ons. Hun integratie is succesvol verlopen – wat iets anders is dan voltooid.

In de tweede helft van de jaren zeventig kwamen grote groepen Surinamers naar Nederland. Vandaag de dag vormen ze met ruim 320.000 zielen – eerste en tweede generatie samen – de vierde categorie allochtonen, na de Indonesiërs, de Duitsers en de Turken, maar vóór de Marokkanen, de Antillianen en de Belgen. Begin jaren tachtig golden Surinamers als de belangrijkste etnische probleemcategorie. Het was meer dan massale werkloosheid en zwakke schoolprestaties: het beeld van Surinamers in Nederland werd gedomineerd door hosselaars (degenen die met allerlei al dan niet legale handeltjes in de informele economie aan de kost komen), bijstandsmoeders en grootstedelijke junks.

Hosselaars, bijstandsmoeders en junks bestaan nog steeds, maar je hoort er weinig meer over. Ze zijn niet meer bepalend voor het beeld van Surinamers in Nederland.

En dat is niet alleen maar een kwestie van imago, er is ook écht wat veranderd. De jongste editie van de Rapportage Minderheden van het Sociaal en Cultureel Planbureau laat zien dat de schoolprestaties van Surinaamse kinderen de afgelopen jaren aanzienlijk vooruit zijn gegaan. Zij hebben de autochtone kinderen van lager opgeleide ouders inmiddels vrijwel ingehaald. Sinds het midden van de jaren negentig steeg het aandeel van de Surinaamse leerlingen dat naar havo of vwo gaat van 30 naar 43 procent. Surinaamse meisjes gaan inmiddels zelfs meer naar havo en vwo dan autochtone meisjes.

De werkloosheid onder Surinamers is afgenomen van meer dan 30 procent begin jaren negentig naar circa 10 procent – nog altijd meer dan onder autochtonen, maar niet langer uitzichtloos. De concentratie van Surinamers in probleembuurten neemt af. Amsterdam kent al enige tijd een netto-uitstroom van Surinamers. Met name het aantal jongeren neemt af. Waar ze heengaan? Naar Almere bijvoorbeeld, andere Amsterdammers achterna.

Ruim 40 procent van alle Surinamers in Nederland die de afgelopen vijf jaar trouwden deed dat met een autochtoon. Van de tweede generatie trouwde 80 procent met een autochtoon. Net als de Indonesiërs enkele decennia voor hen lossen de Surinamers gestaag op in de Nederlandse samenleving. Met Kwakoe, het Surinaams cultuurfestival in de Bijlmer, als folkloristisch rudiment.

Dat gebeurt ook met Antillianen. De positie op de arbeidsmarkt van de tweede generatie is al nauwelijks meer van die van autochtonen te onderscheiden. Dat het gemiddeld gesproken met de positie van Antillianen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt toch niet zo goed gaat, komt door de recente instroom van lager opgeleide gelukszoekers. Gedreven door de deplorabele situatie op Curaçao zoeken zij hun heil in Nederland, maar ze spreken doorgaans nauwelijks Nederlands en hebben weinig scholing genoten. Traditionele Antilliaanse immigranten komen uit de middenklasse, spreken behoorlijk tot zeer goed Nederlands en komen veelal hierheen om een opleiding te volgen. In die zin is sprake van een breuk in de immigratietraditie. In feite moeten deze nieuwe immigranten weer op nul beginnen, en dus hebben zij nog een lange weg te gaan. Het SCP constateert dat ,,inhaalslagen van achterstandsgroepen in het onderwijs in het algemeen enkele decennia vergen''.

Kneedbare samenleving

Integratie is een zaak van lange adem, van generaties. Wie als volwassene emigreert blijft in zijn nieuwe vaderland een buitenlander. Je kunt een taal vloeiend leren spreken, maar nooit als een native speaker. Je kunt Mulisch en 't Hart lezen tot je een ons weegt, maar de vanzelfsprekendheid van `Groningen, Bedum, Appingedam, Delfzijl' zal nooit de jouwe worden, omdat je de wereld waarin je leeftijdgenoten hier zijn opgegroeid nu eenmaal niet hebt meegemaakt. Dat hoeft ook niet. Je hebt als immigrant andere vanzelfsprekendheden, die je op hun beurt nooit meer zullen verlaten.

Natuurlijk maakt het uit of je zonder voorbehoud kiest voor het nieuwe vaderland, of met één been in het land van herkomst blijft staan. Maar de ballast van je eigen verleden raak je nooit kwijt. Voor kinderen van immigranten ligt dat anders. Het zijn immers hun ouders die hun die ballast aanreiken. De een doet dat meer dan de ander, en het ene kind is er vatbaarder voor dan het andere. Dat hangt ook, maar zeker niet alleen, af van contacten met herkomstgenoten.

Sommige kinderen van immigranten – de tweede generatie – slagen erin volledig op te gaan in de ontvangende samenleving. Velen lukt dat nog niet, velen willen dat nog niet. Dan duurt het tot de derde generatie, en soms nog langer. Totdat het land van herkomst iets exotisch krijgt, van `opa, vertel nog eens over vroeger', en ten slotte – ver na opa's dood – vergeten wordt.

In die zin lijkt het integratieproces van immigranten op dat van sociale stijgers, of van vrouwen die een plek veroveren in een mannenwereld. De eerste generatie houdt altijd iets onwennigs in het nieuwe milieu. Wie er in opgroeit heeft het gemakkelijker, maar vaak voelt de derde generatie zich pas echt op haar gemak. Hervormers hebben er moeite mee dit te accepteren: ze vinden het defaitistisch, ze willen dat het sneller gaat. Tot op zekere hoogte kan dat ook wel. Met gericht beleid is een integratieproces te versoepelen – zoals blijkt uit het Duizendbanenplan voor Molukkers – maar de dynamiek van generaties laat zich niet wegpoetsen. In die zin is de samenleving niet maakbaar, hooguit kneedbaar.

Aangrijpingspunten voor beleid verschillen sterk per aspect van integratie.

Integratie is een zeer complex proces, omdat het een strijd op vele fronten is. Het gaat enerzijds om het veroveren van een positie in de samenleving, gedefinieerd met min of meer harde criteria als opleiding, werk, inkomen, huisvesting. Anderzijds spelen ook `zachte' aspecten een rol, zoals omgang met autochtonen, normen en waarden, liefde, gemengde huwelijken, opvattingen over hoe je moet leven, beheersing van de Nederlandse taal, kennis van de samenleving.

Werkloosheid is met een gerichte aanpak goed te bestrijden. Ook een project als Emplooi, waarin sinds 1989 duizenden vluchtelingen letterlijk één voor één aan een baan zijn geholpen door de inzet van vele tientallen gepensioneerde managers en oud-ondernemers, illustreert dat dit kan. Dat is vaak niet eens zo zeer een kwestie van geld, maar vooral van aandacht. Het geheim van een succesvolle aanpak blijkt telkens een tweesnijdend zwaard: aandacht voor de individuele werkloze én aandacht voor individuele werkgevers die personeel zoeken. Juist omdat het gaat om het eenmalig overbruggen van de kloof tussen het werklozenbestaan en een baan, kan zulk beleid in korte tijd successen boeken. De situatie van de jonge Antilliaanse immigranten schreeuwt om zo'n aanpak, juist omdat het net als bij de Molukkers twintig jaar geleden gaat om een beperkte groep, waarschijnlijk zo'n tienduizend personen. Overigens is het aantal nieuwe immigranten uit de Antillen de laatste drie jaar met meer dan de helft afgenomen, zodat geen sprake is van `dweilen met de kraan open'.

Tegen massale werkloosheid is geen beleid opgewassen. Van de Turken zat begin jaren negentig meer dan 30 procent zonder werk, van de Marokkanen meer dan 40. Speculaties over het ontstaan van een etnische onderklasse waren niet van de lucht. Het probleem was net zo min vatbaar voor beleid als de oorzaak ervan: de gastarbeiders waren geworven voor ongeschoolde industriële arbeid, die door de structuurverandering van de economie in de jaren zeventig in hoog tempo verdween. Hun zeer slechte scholing en gebrekkige kennis van het Nederlands maakten hen minder geschikt voor de groeiende dienstensector. Tegelijk maakte de economische malaise in hun land van herkomst terugkeer eveneens onaantrekkelijk. De laagconjunctuur van begin jaren tachtig deed de rest. Twintig jaar later kan men gevoeglijk van een lost generation spreken. Oudere Turkse en Marokkaanse mannen – de oorspronkelijke gastarbeiders – staan en masse buiten het arbeidsproces. Van de Turkse mannen boven de 55 jaar zit 61 procent in de WAO.

Voor de jongeren keerde even onverwachts het tij. De economische voorspoed van de tweede helft van de jaren negentig is niet aan hun deuren voorbij gegaan: de werkloosheidspercentages zijn gedaald naar rond de tien. Ze lopen nu wel weer iets op – maar met enkele procentpunten, en niet met tientallen. Wat beleidsmatig uitzichtloos was, loste de conjunctuur in zes jaar op.

De onderwijsachterstanden van Turkse en Marokkaanse kinderen zien er net zo hopeloos uit als de werkloosheid van hun ouders een decennium terug. Maar in dit geval helpt noch een beleidsimpuls, noch de conjunctuur. Bibliotheken vol onderzoek laten zien dat met het wegwerken van onderwijsachterstanden decennia zijn gemoeid. Het gebeurt überhaupt al zelden dat beleid zo lang consequent wordt volgehouden. Bovendien blijkt op doelgroepen gericht beleid nogal eens in effect te worden overstemd door algemene maatregelen zoals de invoering van de basisvorming of het studiehuis.

Dokter of secretaresse

Er is overigens wel vooruitgang. De Cito-scores van Turkse en Marokkaanse basisschoolleerlingen worden allengs beter. Turkse leerlingen in groep 8 haalden in zes jaar tijd 30 procent van hun achterstand op autochtonen in, en Marokkaanse leerlingen ruim 20 procent. Het aandeel Marokkanen met minimaal een mbo-opleiding nam toe van 3 procent in 1991 tot 29 procent in 2002. Het percentage Turkse en Marokkaanse studenten in het hbo nam in zes jaar tijd toe van 9 naar 17.

Onderwijs is in dubbel opzicht belangrijk: het vormt de sleutel tot werk en daarmee tot het veroveren van een goede maatschappelijke positie, én het beïnvloedt de `zachte' integratie. Taalbeheersing en taalgebruik, contacten met Nederlanders, moderniteit van opvattingen over hoe je moet leven – dat blijkt allemaal samen te hangen met het onderwijsniveau. Afgezien van taalbeheersing zijn deze aspecten nauwelijks direct met beleid te beïnvloeden. Toch treden grote veranderingen op.

Aansprekende voorbeelden daarvan zijn te vinden in het rapport Een ander succes, dat SISWO, het in Amsterdam gevestigde instituut voor maatschappijwetenschappen, eind oktober publiceerde over de keuzes van Marokkaanse meisjes. De meisjes van pakweg 14 tot 20 jaar die aan het woord kwamen wilden allemaal hun opleiding afmaken en gaan werken.

Zo schrijft een meisje uit de brugklas in een opstel over hoe zij haar leven in 2015 ziet: ,,Ik hoop dat ik dan klaar ben met mijn studie voor dokter. Ik hoop dat ik een baan heb in een ziekenhuis. [...] Misschien ben ik getrouwd of misschien woon ik nog thuis bij mijn ouders. Als ik mijn studie helemaal af heb wil ik wel gaan trouwen en kinderen krijgen. Ik ga wel gewoon werken maar zal altijd klaarstaan voor mijn kinderen.''

Een leeftijdgenote: ,,Want als ik 25/30 ben, ben ik al getrouwd, heb kinderen en heb een eigen woning en dan ga ik werken als secretaresse. Dat wil ik niet vijf dagen per week maar ongeveer drie dagen. En ik wil de taken met mijn man verdelen, zoals de kinderen ophalen van school, schoonmaken, enz.''

Ze willen zeker trouwen, maar pas nadat ze hun diploma hebben gehaald. Dat willen ze zelf, én ze krijgen daarvoor steun van hun omgeving, inclusief hun ouders. ,,Mijn ouders zijn erg blij voor me'', zegt een Marokkaanse studente in het rapport, ,,want ze zijn zelf niet naar school geweest. Ze willen dat wij hoger halen.'' In het rapport komen ook Marokkaanse vrouwen van begin dertig aan het woord. Zij werden nog uit de schoolbanken geplukt om in het huwelijk te treden en kinderen te krijgen. Een 30-jarige huisvrouw: ,,Ik wilde toentertijd, ik kan me nog heel goed herinneren, dat ik toen ongeveer 16 was dat ik mijn vader vroeg mag ik bij Albert Heijn werken. Maar hij zegt: echt niet, over mijn lijk niet. Ik mocht dat absoluut niet.'' Dat komt nu nauwelijks meer voor. Albert Heijn zit vol Marokkaanse meiden. Vijftien jaar verschil, nog niet eens een generatie, wel een andere wereld.

Turkse en Marokkaanse meisjes hebben even vaak een voorkeur voor een huishouden waarin beide partners werken als Nederlandse meisjes. Jonge hoger opgeleide Turkse en Marokkaanse vrouwen hebben zelfs vaker voorkeur voor zo'n huishouden dan autochtone hoger opgeleide jonge vrouwen. Marokkaanse, maar vooral Turkse jongens hebben nog traditionelere opvattingen. Integratie verloopt deels via emancipatie.

Ondanks alle taalachterstand rukt de Nederlandse taal ook in overwegend allochtone buurten en scholen onmiskenbaar op. Van de Marokkaanse scholieren spreekt 78 procent meestal Nederlands met broers en zussen, bij de Turken is dat 59 procent. In het algemeen verloopt de sociaal-culturele integratie van Marokkanen sneller dan die van Turken. De laatsten oriënteren zich in sterkere mate op de eigen groep.

Een duidelijk verschil tussen Turken en Marokkanen en bijvoorbeeld Surinamers en Antillianen is dat vrijwel iedereen uit de eerste twee categorieën zich beschouwt als moslim. De verschillen tussen ouderen en jongeren zijn in dit opzicht te verwaarlozen, in die zin is van ontkerkelijking geen sprake.

In het publieke debat ligt de nadruk op ontluikend fundamentalisme bij jongeren, op incidenten rond werving van strijders voor de jihad. Dat fundamentalisme is er wel, maar tegelijk nemen duizenden jongeren meer afstand tot de religieuze gewoonten. Van de Marokkaanse jongeren bezoekt 44 procent nooit een religieuze bijeenkomst, aldus het SCP (bij de ouderen is dit 5 procent). Ze noemen zich wel moslim, maar gaan niet naar de moskee, hooguit op hoogtijdagen. Zoals Brabanders zich in de jaren zestig katholiek noemden. Bij Turken is het verschil tussen jongeren en ouderen in dit opzicht kleiner, net als bij het spreken van de Nederlandse taal.

Tot dusverre ontwikkelde de islam zich vooral in relatief arme en/of min of meer despotisch geregeerde landen. Hoe deze religie zich zal ontwikkelen in een moderne, democratische verzorgingsstaat laat zich lastig voorspellen. Dat proces is immers nog maar net aan de gang.

Zijn er dan geen problemen met Turkse en Marokkaanse groepen? Zeker. Schooluitval, overlast, criminaliteit van jongeren, maatschappelijk isolement van ouderen – dat zijn echte problemen waarvoor een gerichte aanpak op zijn plaats is. Maar wie ze ziet als symptomen van mislukte of stagnerende integratie staart zich blind op een zieke boom in een weelderig groeiend bos.

Spreiding

Toch zijn er bij Turken en Marokkanen wel factoren die integratie belemmeren. De belangrijkste is dat ze allemaal op een kluitje wonen, in een beperkt aantal buurten in een beperkt aantal steden. Omdat er daar inmiddels nauwelijks meer autochtonen wonen, en al helemaal niet met kleine kinderen, zijn de `contactkansen' met Nederlanders de afgelopen jaren afgenomen. Hierin wijken ze af van de Indische Nederlanders en de Italianen voor hen. Dat heeft zijn weerslag op de omgang met Nederlanders. In tegenstelling tot wat je zou verwachten in een `normaal' integratieproces is het percentage jonge Turken en Marokkanen dat wel eens Nederlanders over de vloer krijgt in de loop van de jaren negentig afgenomen.

Dat geconcentreerd wonen is nu typisch iets wat met beleid kan worden beïnvloed. Want kijk eens naar Irakezen, Iraniërs en Afghanen. Dankzij het spreidingsbeleid voor asielzoekers wonen zij niet geconcentreerd in de vier grote steden, maar verspreid over het hele land, ook in kleinere gemeenten. Dat zal ongetwijfeld een rol spelen in het tot stand komen van contacten met Nederlanders. In december vorig jaar bleek uit het kiezersonderzoek van deze krant dat Nederlanders relatief aanzienlijk vaker een Iraniër of een Afghaan op bezoek krijgen dan een Turk of een Marokkaan.

Voor gedwongen spreiding van Turken en Marokkanen is het te laat, maar dwang is ook niet het meest geëigende instrument. Goede woningen wel. Lees het verhaal in het maandblad M enkele maanden geleden over de Marokkanen die de Utrechtse wijk Kanaleneiland ontvluchtten naar Vinex-locatie Leidsche Rijn, of drie jaar geleden over Turken die graag weg wilden uit de Zaanse wijk Poelenburg. Ook zij wonen liever in een mooi en betaalbaar huis in een prettige buurt, met een goede school om de hoek. Waar die huizen voor hen bereikbaar zijn vinden ze gretig aftrek. Maar zelfs op Vinex-locaties loopt de nieuwbouwproductie grote vertragingen op. Volgens de planning in de Vinex zouden nu ongeveer 100.000 woningen per jaar moeten worden gebouwd. Met moeite halen we de helft. De doorstroming stagneert.

Een tweede integratiebelemmerende – of misschien beter: integratieremmende – factor is de aanhoudende huwelijksmigratie uit Turkije en Marokko. Uit het dit jaar verschenen proefschrift van Erna Hooghiemstra bleek dat 75 procent van de tweede generatie Turken en Marokkanen een partner haalt uit het land van herkomst. Hierdoor ontstaat er geen derde generatie van kinderen van wie beide ouders in Nederland zijn geboren. Wel is enige terughoudendheid geboden bij de interpretatie hiervan: 85 procent van de tweede generatie is jonger dan twintig. Of de huwelijksmigratie zo'n belangrijke factor blijft moet worden afgewacht. Overigens heeft ruim een derde van de Turkse huwelijksmigranten bij binnenkomst ten minste een mbo-opleiding gevolgd: in het land van herkomst staan de ontwikkelingen ook niet stil.

Terwijl het parlement debatteert over de mislukking van het integratiebeleid, gaat de integratie zelf gewoon door. Tussen categorieën immigranten bestaan faseverschillen en tempoverschillen, maar over de richting is geen twijfel mogelijk. Assimilatie blijkt in Nederland de dominante integratievorm te zijn: integratie op het gebied van werk en onderwijs gaat doorgaans gepaard met betere beheersing van het Nederlands, overname van moderne opvattingen en omgang met autochtonen, zo bleek twee jaar geleden glashelder uit de studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Perspectief op integratie.

De Nederlandse samenleving werkt al decennia als een geoliede integratiemachine, en er is geen reden om aan te nemen dat dit aan het veranderen is.

Wilt u reageren? Stuur uw reactie naarzbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam