CPB: groter probleem pensioenfondsen

Het wegwerken van de tekorten van de pensioenfondsen is een groter probleem dan tot dusver werd aangenomen. Eerder achtte het Centraal Planbureau (CPB) een verhoging van de gemiddelde pensioenpremies nodig van 10,5 procent in 2002 tot 14,75 procent in de jaren van 2004 tot 2010.

Uit nieuwe berekeningen blijkt dat de premies nog eens met 1,5 procent extra moeten stijgen. Dit staat in een gisteren gepubliceerd rapport van het CPB. Het CPB is kritisch over een notitie van staatssecretaris Rutte (Sociale Zaken).

Rutte acht het toelaatbaar dat de kans dat de vermogensbuffers van een pensioenfonds volledig worden gebruikt 2,5 procent bedraagt. Dat betekent dat het één keer in de veertig jaar mag voorkomen, en dat het pensioenfonds vervolgens vijftien jaar de tijd krijgt de buffers te herstellen.

Voor een gemiddeld pensioenfonds betekent deze eis, dat het een vermogen moet aanhouden van minstens 128 procent van de zogeheten nominale verplichtingen. Als pensioenfondsen alleen deze nominale verplichtingen hoeven te garanderen kan volgens het CPB de welvaartsvastheid, ofwel de jaarlijkse aanpassing van de pensioenen aan de gestegen prijzen, in het geding komen. De pensioencontracten zullen dus veelal aangepast moeten worden.

Het CPB noemt het opvallend dat het kabinet niet uitgaat van volledige kapitaaldekking, ofwel het principe dat elke generatie door premies te betalen opdraait voor de eigen pensioenen.

Als pensioenfondsen daarbij welvaartsvaste pensioenen willen garanderen is een dekkingsgraad nodig van 150 procent. Veel meer dus dan de 128 procent, die het voorstel van Rutte met zich brengt en waarmee het kabinet al heeft ingestemd.

Als pensioenfondsen de eis van het kabinet aanhouden dreigen tekorten, die doorgeschoven worden naar toekomstige generaties, terwijl de samenleving vergrijst. Dit brengt de houdbaarheid van het hele pensioenstelsel in gevaar, stelt het CPB.