Bos mag niet wegduiken voor rol in de oppositie

DEZE MAAND IS HET een jaar geleden dat de PvdA onder aanvoering van Wouter Bos een klinkend verkiezingsresultaat behaalde. De partij die onder leiding van zijn voorganger Ad Melkert in mei 2002 bijna was gehalveerd tot 23 zetels, kwam terug met 19 zetels winst. Dat was geen geringe prestatie. Vervolgens verloor Bos echter de formatie met het CDA en sindsdien zit de PvdA in de oppositie.

De voorman van de sociaal-democraten heeft zichzelf de opdracht gesteld de ,,oude vormen en gedachten'' van zijn partij te vernieuwen en aan te passen aan het huidig tijdsgewricht. Zowel inhoudelijk als wat stijl van leiderschap betreft wil Bos breken met het verleden en zijn kiezers tonen dat de PvdA niet langer de arrogante machtspartij is van weleer.

Bij zijn vernieuwingsoffensief moet Bos rekening houden met de ideologische linkervleugel van zijn partij die bang is dat de nieuwe leider te ver in sociaal-liberale richting afdwaalt. De meer liberale vleugel, die ook altijd aanwezig is geweest in de PvdA, wil omgekeerd dat de partij niet het spoor terug gaat volgen. Bos beschikt meer dan enige voorganger over een mandaat om richting te geven aan zijn partij. Immers, hij behaalde de grootste stemmenwinst ooit voor de PvdA. Bovendien is hij door de leden van de partij, en dus niet alleen door de fractie in de Tweede Kamer, gekozen tot fractievoorzitter en partijleider. Maar Bos maakt van zijn uitzonderlijke mandaat slechts aarzelend gebruik. Hij maakt als partijleider eerder een machteloze indruk. Zo zei Bos afgelopen week - tegen Het Parool - dat de PvdA dreigt te splijten. In een theatrale ontboezeming zei hij ook dat hij de laatste leider is die de PvdA bij elkaar kan houden. Hij waarschuwde dat er ,,geen alternatief is voor het leiderschap van Koole en Bos''.

Wat dit laatste betreft werd hij meteen door partijvoorzitter Ruud Koole terecht gewezen. Koole betoogde dat hij als historicus de zaak een slag anders ziet en dat de PvdA wel eerder cruciale fases heeft doorstaan. Bos heeft al vaker blijk gegeven van een zekere gespletenheid. Aan de ene kant streeft hij naar ,,dienend leiderschap'', terwijl hij zichzelf aan de andere kant meer macht toedicht dan hij feitelijk heeft. Dat bleek bijvoorbeeld ook toen hij vorig jaar onthulde dat hij had overwogen de PvdA op te heffen.

IN ZIJN STREVEN naar vernieuwing van de politiek toont Bos dédain voor het werk in de Tweede Kamer. In tijden van publieke onvrede met de Haagse mores een begrijpelijke strategie, maar niet zonder risico. Hij afficheert zich, in het voetspoor van Pim Fortuyn, als `niet-Haags' politicus. Hij stelt zich ten doel ,,de perfecte moderne leider'' te zijn. Daarbij gaat Bos de straat op om voorbijgangers te spreken en hij leg werkbezoeken af die hij ,,maatschappelijke stages'' noemt. Het is goed dat een politiek leider probeert de brug te slaan tussen politiek en samenleving. Ook heeft Bos voor zijn partij nieuwe standpunten ingenomen, bijvoorbeeld op het vlak van arbeidsmigratie, Europa en het gelijkheidsbeginsel. Het probleem is alleen dat hij dit in artikelen en toespraken doet, maar dat nog niet heeft herhaald in de Tweede Kamer. Bos loopt de kans dat hij onvoldoende werk maakt van de oppositierol. In het afgelopen half jaar nam hij zelden het initiatief daartoe. Zo was het niet Bos maar Jan Marijnissen van de SP die voor het kerstreces de minister-president in het parlement ter verantwoording riep over de cumulatieve gevolgen van alle bezuinigingsmaatregelen voor de sociaal zwaksten.

Burgers hebben er recht op dat het optreden van de regering haarscherp wordt gecontroleerd vanuit de Tweede Kamer. Bos moet als modern politicus open blijven staan voor de burgers en hun problemen. Hij kan het zich echter niet permitteren weg te duiken voor de rol die zijn partij verplicht is te spelen in het parlement.