Wonderlijke mirakels

Na De verzoekingen van zuster Margriet (1997) en Verloren schapen, schurftige herders (2002, met Eddy Put) verscheen onlangs in vertaling het derde boek van de Amerikaanse historicus Craig Harline, waarin de denkwereld van de gewone man of vrouw uit de hoogtijdagen van de Contrareformatie centraal staat. Omdat er in de zeventiende eeuw meer heiligdommen verrezen, om mirakels te herdenken, dan ooit tevoren, is het niet vreemd dat de auteur in De wonderen van Jezus-Eik – genoemd naar een heilige eik nabij Brussel – juist hierdoor gefascineerd raakte. Een min of meer toevallige vondst van enkele dossiers, met meeslepende getuigenissen van honderden mensen die beweerden dat ze mirakels hadden meegemaakt, staat aan de basis van dit boek. Harline slaagt er goed in te verwoorden wat mirakels voor mensen uit die tijd zelf betekenden.

Uit de vijf in dit boek uitgewerkte gevallen wordt duidelijk dat voor een goed begrip niet volstaan kan worden met het aanbrengen van de tweedeling tussen katholieken en protestanten. Harline laat zien dat zelfs in het grensgebied van rivaliserende godsdiensten het debat over religieuze kwesties, met inbegrip van mirakels, bijzonder intens gevoerd werd en dat deze zaken óók bij de katholieken op nogal uiteenlopende wijzen geïnterpreteerd werden. De in dit boek besproken controversen draaiden in het ene geval om twee parochies die beiden een bepaald heiligdom opeisten, in een ander geval waren het de beheerders van een kapel die op slinkse wijze pelgrims van een andere bedeplaats weglokten. In een derde kwestie spitste de zaak zich toe op de vraag welke rol het bidden voor een Maria-beeld speelde bij het plotseling goed gevuld raken van een moederborst, waaruit de melk overvloedig stroomde.

In al deze gevallen is het ontluisterend te lezen van welke machinaties de wereldlijke en geestelijke autoriteiten zich bedienden om hun gelijk te halen. Maar deze verhalen maken ook duidelijk dat de Zuid-Nederlandse burger uit de zeventiende eeuw niet aan juridische willekeur was overgeleverd. Zo werd Aldegonde Walre in 1652 aan een kruisverhoor onderworpen nadat ze een geconsacreerde hostie uit haar mond had genomen en vervolgens verstopt, met het doel deze later te verkopen aan mensen die uit waren op de miraculeuze krachten daarvan. Onderzoekers van het bisschoppelijk hof van Mechelen wilden weten waarom ze tot deze daad was gekomen. Hoewel Aldegonde nog maar 22 jaar oud was, had ze alle krochten van de onderwereld al bezocht: op jonge leeftijd was ze door haar vader misbruikt, had ze haar stiefmoeder met arsenicum vergiftigd en een dronken soldaat met messteken om het leven gebracht en had ze al vele jaren lang in diverse Vlaamse steden `het beste van zichzelf gegeven'. Deze bekentenissen werden zonder pressie of foltering verkregen; zelfs de namen van haar vaste klanten (waaronder een advocaat en twee priesters) werden zonder bedenking verstrekt. Men zou verwachten dat die lange lijst met misdrijven (onder andere nog het uitvoeren van een abortus) voldoende was voor een zware straf. Zo niet bij Aldegonde: uitgaande van de al uit de twaalfde eeuw stammende opvatting dat men een hoer nooit op haar woord moet geloven, werd getwijfeld aan de juistheid van deze bekentenissen. Het Hof ging zelfs op reis om de beweringen te verifiëren. Blijkbaar was naar aanleiding daarvan veel twijfel gerezen, want het is niet tot een veroordeling gekomen.

C. Harline: De wonderen van Jezus-Eik. Mirakelverhalen uit de zeventiende eeuw.

Bert Bakker, 277 blz. €19,95