We zijn gedoemd romantici te blijven

De verveling is juist in de moderne tijd, na de dood van God, een filosofisch interessant thema, vindt Lars Svendsen. Met amusement, tv-kijken, alcohol en drugs wordt de verveling bestreden. Maar kunnen we er ooit aan ontsnappen?

Dat een `filosofie van de verveling' uitgerekend uit Noorwegen komt, verbaast mij niet. Het dunbevolkte land met zijn diepe fjorden, ijzige bergen en dure alcohol, lijkt er haast toe uit te nodigen. Nergens kun je je zo goed vervelen als in Noorwegen, waar de welvaart groot genoeg is om niet de hele dag in de weer te hoeven zijn met houthakken voor de haard en proviand verzamelen. Toch komen we geen bijzondere aandacht voor zijn vaderland tegen bij de Noorse filosoof Lars Svendsen, die in 1999 Kjedsomhetens filosofi publiceerde, een boek waarvan nu (onder de titel Filosofie van de verveling) een Nederlandse vertaling is verschenen.

De schrijver zelf lijkt niet veel talent voor verveling te hebben. In de inleiding lezen we dat hij aan zijn boek is begonnen op een tijdstip (na het voltooien van een `langdurig onderzoeksproject') dat hij eigenlijk voor `uitrusten en nietsdoen' had bestemd. Het is er niet van gekomen, en dit boek of liever dit lange essay (zelf spreekt de auteur van een `reeks van schetsen') is het resultaat.

Svendsen behandelt de verveling als een typisch modern verschijnsel. Hoewel er pre-moderne voorlopers zijn (Seneca's taedium vitae, de christelijke acedia) beginnen het woord en dat wat het benoemt hun dubieuze zegetocht in de achttiende eeuw, in het bijzonder tijdens de Romantiek. De romantici hebben inderdaad veel over de verveling geschreven, met zelfbeklag, maar vaak ook met intiem begrip. `Ik lijk op de koning van een regenachtig rijk, / jeugdig maar toch stokoud, onmachtig maar schatrijk', schreef Baudelaire in het gedicht `Spleen' (een ander – romantisch –- woord voor verveling). En een halve eeuw eerder zong Friedrich Schlegel in zijn roman Lucinde (1799) zelfs de lof van het `zuivere vegeteren'.

De verveling als levensvervulling – dat was natuurlijk ook bedoeld als provocatie van de nijvere burgerij met haar utilitarisme en arbeidsethos. De specialist bij uitstek van de provocerende verveling, de romantische dandy (die vreemd genoeg bij Svendsen ontbreekt), trachtte zo nog iets te bewaren van een verdwenen aristocratisch ethos, waarin de verveling bijna als een erfelijk privilege had gegolden.

Pascal

De moderne wereld wilde er liever niets van weten, behalve in de kunst en de literatuur, wat niet wil zeggen dat de verveling daarbuiten ontbrak. Integendeel, volgens Svendsen is de verveling in de moderne tijd alomtegenwoordig, getuige alleen al de omvang van de amusementsindustrie, het massale tv-kijken en de populariteit van alcohol en drugs. Allemaal vormen van `tijdverdrijf', dé manier waarop we de verveling plegen te bestrijden. Pascal schreef er al over in de zeventiende eeuw. In zijn Pensées wijst hij de mens op zijn hang naar `verstrooiing', bedoeld om zijn ware conditie maar niet onder ogen te hoeven zien. De enige remedie was volgens Pascal: een onvoorwaardelijke overgave aan God.

Ook bij Svendsen speelt God een rol, maar dan als de grote afwezige. Juist de `dood van God' (waarvan de romantici zich, lang vóór Nietzsche, al terdege bewust waren) of, profaner gezegd, het verdwijnen van de `traditionele betekenisstructuren' heeft de moderne `diepe' of `existentiële' verveling uitgelokt. Een verveling zonder duidelijk aanwijsbaar object, een verveling die er simpelweg is en die elke zin of betekenis in onverschilligheid lijkt te dompelen. Op dit punt wordt de verveling filosofisch interessant, want zin en betekenis behoren niet alleen tot het domein van de religie, maar ook tot dat van de filosofie.

Svendsen relateert de alomtegenwoordigheid van de verveling met de moderne subjectiviteit, die het individu ertoe aanzet zelf voor zin en betekenis in de wereld te zorgen. Een te hoog gegrepen taak, want op zoek naar persoonlijke zin en betekenis stuit het subject op een wereld die allang op een onpersoonlijke manier is gecodeerd, zonder zichzelf op bevredigende wijze in die orde te kunnen invoegen. Ziedaar de typisch moderne `diepe verveling', als de ervaring van leegte die van dit echec het gevolg is, en die de romanticus tracht te verdrijven door keer op keer de grenzen waarop hij stuit te overschrijden: een eindeloze `transgressie', die uiteindelijk evenmin bevrediging schenkt en daardoor ook de verveling eindeloos maakt.

Svendsen demonstreert een en ander via Ludwig Tiecks roman William Lovell (1795-96), voor hem `dé klassieke roman over verveling', die hij op verrassende wijze confronteert met Brett Easton Ellis' American psycho (1990). Ellis' imaginaire seriemoordenaar Patrick Bateman blijkt een twintigste-eeuwse `reïncarnatie' te zijn van Tiecks romantische anti-held. Met dit verschil dat bij Tieck de moralistische inzet van Ellis zou ontbreken. Eenzelfde – verborgen – moralisme herkent Svendsen in David Cronenbergs film Crash (1996), waarin de verveling eveneens tot gewelddadige transgressie leidt, in de hoop zo een verloren ervaring van realiteit te herwinnen.

De moderne verveling, het valt moeilijk over het hoofd te zien, heeft met verlies te maken. Svendsen spreekt van een `metafysische rouw', die echter niet per se tot romantische transgressie hoeft te leiden. Bij Samuel Beckett (die in zijn `komedie van de verveling' keer op keer de onmogelijkheid van persoonlijke betekenis benadrukt) en bij Andy Warhol (die bewust afziet van elke pretentie tot persoonlijke betekenis) ziet hij serieuze pogingen de Romantiek achter zich te laten. Maar tevergeefs, zo blijkt, want als anti-romantici blijven Beckett en Warhol toch, zij het in negatieve, ontkennende zin, aan de Romantiek gebonden. Svendsen gelooft dan ook niet dat we `het romantische concept over onszelf en de wereld kunnen overschrijden'. Als moderne mensen zijn we gedoemd om romantici te blijven.

Dat verklaart, naar ik aanneem, zijn onbevredigende behandeling van Martin Heideggers uitvoerige analyse van de verveling in Grundbegriffe der Metaphysik, een college uit 1929-1930. Voor Heidegger was de verveling, in haar `diepe' gedaante, evenals de angst en de `Jubel des Herzen', een stemming en een mogelijke ervaring, die het menselijke Dasein toegang kon bieden tot de filosofische vraag naar het Zijn, waaruit een ingrijpende ommekeer moest voortkomen. Helaas neemt Svendsen Heideggers Zijnsvraag niet serieus, met als gevolg dat ook Heidegger tamelijk plompverloren in het kamp van de Romantiek wordt gedeponeerd. En wel uit naam van de `eenvoud van het menselijk leven', die Heidegger in zijn ontologische (op het Zijn en niet op het zijnde gerichte) bekommernis over het hoofd zou hebben gezien.

Goochelaar

Die `eenvoud van het menselijk leven' komt eerlijk gezegd een beetje als het konijn uit de hoge hoed van de goochelaar. Hoe kunnen we nu tegelijk `conceptuele' romantici zijn én zulke `eenvoudig' levenden? In het laatste hoofdstuk (waarin we een `ethiek van de verveling' krijgen aangeboden) gebeuren trouwens wel meer rare dingen.

Zo komt Svendsen nu opeens aanzetten met de Kantiaanse Verlichting als een wèl effectieve vorm van anti-romantiek. Alle ervaringen van verlies en metafysische rouw verdampen, in een zuurbad van scepsis, tot illusies, en de verveling blijkt tenslotte niets anders te zijn dan de `zwaartekracht van het eigen leven'. Als verlichte volwassenen dienen we dat eenvoudigweg te aanvaarden, zonder er als romantische pubers tegen in opstand te komen. Erkenning en aanvaarding van grenzen, daar komt het bij Kant op aan, aldus Svendsen. Daarmee is het probleem van de verveling niet opgelost (het is namelijk onoplosbaar), maar het is wèl op een andere en om zo te zeggen minder problematische manier geformuleerd.

Een teleurstellende conclusie, maar Svendsen had de lezer al in zijn inleiding gewaarschuwd geen `samenhangende argumentatie' te verwachten. Het gebrek aan samenhang zit hier vooral in het gemak waarmee Verlichting en Romantiek tegen elkaar worden uitgespeeld, alsof ze moeiteloos van elkaar te scheiden zouden zijn. Terwijl toch, juist op het punt van de verveling, blijkt hoezeer ze met elkaar zijn verweven, want Svendsen mag de verveling dan vooral in de romantische hoek plaatsen, als modern verschijnsel behoort zij evengoed tot de Verlichting, waaraan de romantici niet ten onrechte de `dood van God' toeschreven.

Als het werkelijk zo gemakkelijk en eenvoudig was als Svendsen het in zijn `ethische' slothoofdstuk voorstelt, dan had hij zijn verder heel prikkelende boek niet hoeven te schrijven.

Lars Svendsen: Filosofie van de verveling. Vertaald uit het Noors door Ronald Kuil. Agora, 203 blz. €17,95