Vervloekte sprinkhanenbotjes

Voor diegenen die de Zuidafrikaanse schrijfster Riana Scheepers vooral kennen van haar verhalenbundels voor volwassenen: nee, er komt geen seks voor in haar jeugddebuut Het Schorpioenkind. Wel maakt Scheepers ook in haar jeugdboek vooral sferen in plaats van verhalen. Wat moet het als kinderboekenschrijver dan een cadeau zijn dat je als blank kind opgroeide in Zoeloeland, waar – zoals ze ooit aan De Groene Amsterdammer vertelde – 's avonds bij het vuur een oude vrouw verhaalde van boosaardige geesten, kannibalen en slangen.

Deze stokoude verhalenvertelster, die in het vuur spuugt om een angstaanjagend verhaal weer te laten verdwijnen, komt ook voor in Het Schorpioenkind. En er zullen ongetwijfeld meer jeugdherinneringen van Scheepers zitten in dit boek over het meisje Gideonette de la Reys dat innig bevriend is met haar Zoeloe-vriendje Bhubesi.

Gideonette wordt twee maanden te vroeg geboren. Vanaf dat allereerste moment ziet de lezer haar opgroeien door haar ogen. `Dat hoopje sprinkhanenbotjes. Is dat een kind? Mijn kind? Ik hoorde het hem zeggen. En ik ben het niet vergeten.' Gideonnette had van haar vader eigenlijk Gideon moeten zijn. Ze besluit dat ze in alles een jongen zal zijn. Als ze ouder wordt, ontdekt ze dat er een vloek rust op haar familie: alle Gideon de la Reys verongelukken als ze jong zijn. Aan Gideonette om te bewijzen dat de vloek niet bestaat.

Scheepers heeft een goed gevoel voor kinderlijke fascinaties. Gideonette en Bhubesi roken – bij gebrek aan een sigaret – een stengel van een plant, vergiftigen zichzelf bijna met een zelfgebrouwd drankje, en liggen voor lijk – ingesmeerd met mest – om te zien of de aasvogels boven hen komen cirkelen en hun ogen uitpikken.

Er gebeurt niet veel spectaculairs in dit boek, maar Scheepers beschrijft het weinige dat gebeurt met een ingehouden spanning waardoor het bijzonder wordt. Als Gideonette met haar opa op de rug van een paard een overgelopen rivier oversteekt, hou je als lezer de adem in. `Nooit heb ik me lekkerder gevoeld op een paard. De Wet trappelt onder ons, hij danst, hij wordt een groot, veilig schip waarop wij varen.'

Soms is Scheepers' taal opeens gekunsteld. Dan staat er bijvoorbeeld: `Ik en Bhubesi amuseerden ons opperbest', of spreekt Gideonette haar moeder aan in de derde persoon: `Mag ik mama iets vragen?' Misschien ligt dat aan de vertaling. Jammer ook dat er niet af en toe een onvertaald woord in is blijven staan, zodat ook kinderen kunnen genieten van de schilderachtige en voor ons vaak grappige woorden van het Zuid-Afrikaans. Een wegholtrekker (Zuid-Afrikaans voor bestseller) zal Het Schorpioenkind wel niet worden, maar Scheepers' naam als kinderboekenschrijfster is gevestigd.

Riana Scheepers: Het Schorpioenkind. Vertaald door Jooris van Hulle. Vanaf 10 jaar. Lannoo, €12,95