Sommige mensen zijn ontroostbaar

MENTON/SAN REMO. In een oude, ietwat vervallen villa op tien minuten loopafstand van het centrum van Menton bevindt zich hotel Aiglon. Er is een klein verwarmd zwembad in de tuin, maar bij regen blijft het dicht. Het grindpad dat naar de voordeur leidt doet denken aan een begraafplaats.

In de vestibule staat een kapstok waaraan twee hoeden hangen en een vaak gelezen exemplaar van het lokale dagblad, Nice Matin.

De receptie is verlaten. Aangezien je je in een familiehotel bevindt en niemand wilt opjutten, loop je terug naar de vestibule en pakt de krant.

De koppen zijn indringend. Het terrorisme dreigt, maar het plaatselijke nieuws is liefelijk. In het museum van Menton is een tentoonstelling over citroenen te bezichtigen. Dan hoor je een vrouw die in het Engels zegt ,,mannen beroven haar van haar laatste restje verstand.''

Je gaat op onderzoek uit en zo beland je in de bar van hotel Aiglon. Een ruimte die ooit dienst deed als de salon van een gravin die op het eind van haar leven met geldnood te kampen had.

In die salon zitten een man en een vrouw, een echtpaar, de vrouw draagt een bril en heeft het rode gezicht van een doorgewinterde alcoholist. Ze kijkt uit het raam naar palmen in de regen. Nog een keer zegt ze ,,mannen beroven haar nog van haar laatste restje verstand.'' Maar haar man gaat onverstoorbaar verder met het lezen van zijn krant.

Op dat moment vergeet je waarvoor je naar hotel Aiglon bent afgereisd, je wilt alleen nog weten wie dat is die door mannen van haar laatste restje verstand is beroofd. De dochter van het echtpaar? Een goede vriendin? Een buurvrouw die voor geluidsoverlast zorgt?

Je gaat zo op in speculaties over verloren verstand dat je niet merkt dat iemand vlak achter je staat die kennelijk al een paar keer `monsieur' heeft gezegd. De eigenaresse van hotel Aiglon is een vrouw van ongeveer vijftig met rood krullend haar. De krullen zijn niet echt. Ze heeft de strengheid en het ongeduld van iemand die vindt dat ze werk doet dat beneden haar intellectuele capaciteiten ligt.

Misschien is zij de gravin, en verhuurt ze noodgedwongen kamers.

,,Dit is het Aiglon-pasje'', zegt ze, ,,als u hier zeven nachten hebt geslapen. Mag u één nacht gratis slapen. Maar ja'', ze kijkt in een groot kasboek ,,u slaapt hier geen zeven nachten, ach, misschien komt u nog een keer terug.''

Er spreekt geen hoop uit haar woorden.

,,Ik zal u de kamer laten zien'', zegt ze, ,,het is de enige die nog vrij is, dus als de kamer u niet bevalt kan ik weinig voor u doen.''

Dat is duidelijke taal en ik merk dat de gravin hoopt dat de kamer mij niet zal bevallen. Alleen al om haar dwars te zitten besluit ik dat vanaf nu alles mij zal bevallen.

De lift is zo klein dat mijn koffer hem volledig opvult.

De kamer is ook klein, maar iets groter dan de lift.

,,Goed?'' vraagt de eigenaresse. ,,Het diner is van half acht tot negen.'' Ze snelt weg alsof er beneden dingen gebeuren die ze niet mag missen. Misschien is ze een Russische gravin, haar jukbeenderen verraden oosterse invloeden. Haar man heeft haar verlaten, het personeel besteelt haar, de leveranciers maken haar belachelijk omdat ze haar nog gekend hebben in betere tijden, maar ze kan nergens heen.

Weemoedig betreed ik de badkamer en tref in de wc een keutel aan. Een kleine keutel, het zou de keutel van een flinke kater kunnen zijn, maar ik vind toch dat het niet hoort.

Ik zou naar beneden kunnen gaan om de gravin over mijn vondst in te lichten, maar dat staat me tegen. Mijn Frans is ook nog te gebrekkig voor dergelijke gecompliceerde conversatie.

Daarom besluit ik door te trekken. Na vier keer doortrekken verdwijnt de keutel van mijn voorganger en vervolgens open ik alle ramen, veel zijn het er niet, twee om precies te zijn.

Geluiden van de boulevard dringen tot mijn kamer door, boven de palmbomen in de regen is kerstverlichting gespannen.

Voor ik op bed ga liggen controleer ik of daar misschien nog keutels van mijn voorganger zijn achtergebleven, maar het bed is keutelvrij.

Ik denk aan mensen die hun laatste restje verstand hebben verloren en kom tot de conclusie dat de gravin waarschijnlijk ook zo'n geval is. Waarom zou ze anders weigeren het toilet goed schoon te houden?

Om half negen meld ik mij beneden voor het diner dat gereserveerd wordt in een bijgebouw met uitzicht op het zwembad.

Het Engelse echtpaar is al bezig aan het dessert als ik binnenkom. Verder zijn er drie Belgen en twee Fransen, moeder en dochter. De dochter heeft in haar jeugd een ziekte gehad waardoor ze moeilijk loopt. Eigenlijk gaat alles haar moeilijk af.

Er lopen twee obers rond, alle twee dronken.

Men kan kiezen uit drie voor- en drie hoofdgerechten, maar een van die gerechten is telkens vet afgedrukt op het groene stencil dat men mij bij binnenkomst in de hand heeft gedrukt. Kiezen is hier een theoretische aangelegenheid.

Op dat stencil staan verder het weerbericht, en tips om de dag door te komen.

De Engelsman loopt naar de tafel waar de twee Fransen zitten. De andere gasten houden hun adem in, alsof ze getuige zijn van een wonder, wat misschien ook zo is. Aangekomen bij de tafel van de twee Fransen maakt de Engelsman een buiging en zegt: ,,Goedenavond, wij komen hier al achttien jaar, winters en zomers, vroeger hadden we hier een flatje.'' Zijn Frans is verre van accentloos, maar hij spreekt met enthousiasme.

Moeder en dochter knikken hulpeloos.

,,In Londen'', zegt de Engelsman, ,,was het vandaag twee graden, maar in Parijs sneeuwt het, wij hebben het hier zo gek nog niet met een beetje regen.''

Moeder en dochter knikken opnieuw. Sommige mensen zijn ontroostbaar.

Maar de Engelsman geeft niet op. Hij verkondigt luid en duidelijk, in twee talen, ,,op 31 december serveren ze hier een negen-gangen-menu.''

De keutel zit mij dwars, maar verder overtreft Aiglon mijn verwachtingen.

Met enige spijt reis ik een paar dagen later naar San Remo.

De receptionist van hotel Paradiso te San Remo vraagt: ,,Wilt u een kamer met ontbijt, of halfpension?''

,,Met ontbijt'', zeg ik.

,,Dat gaat niet'', zegt de receptionist, ,,deze tijd van het jaar verhuren wij alleen halfpension.''

De eetzaal van hotel Paradiso lijkt op die van een bejaardentehuis. Roze tafellakens, en al een half uur voor aanvang van het diner staan elegante dames op leeftijd te dringen in de bar van hotel Paradiso, die sterk doet denken aan de wachtkamer van een dorpsarts.

Paradiso wordt uitsluitend door Italianen bezocht. Veel vrouwen die wanhopige pogingen doen hun laatste restje verstand te verliezen.

De dame naast mij houdt tijdens de risotto haar zonnebril nog op, maar tijdens de kalfslapjes schuift ze haar zonnebril naar haar voorhoofd, werpt indringende blikken naar het bedienend personeel, bedient zich vervolgens royaal van mascara en schuift de zonnebril weer terug op haar neus. De kalfslapjes laat ze staan, ze prikt er voor de vorm in, maar ze drinkt gracieus een fles rosé. Naast haar zitten twee dames met handtassen die in niets verschillen van kleine hondjes. Ook zij eten niets, maar ze laten wel alles inpakken om het mee te slepen naar hun hol. Waarom ze de moeite nemen naar de eetzaal af te dalen is een raadsel dat nooit zal worden opgelost.

Men heeft de kracht niet meer om over de boulevard te flaneren, men flaneert nog uitsluitend door de eetzaal, in de vroege avond ook in bontjas. Hier in San Remo is het verstand een calamiteit.

In IJssalon Festival beleef ik de jaarwisseling. Ik zal er volgend jaar weer zijn. Iemand moet het verstand van de meisjes in ontvangst nemen.

Een restje verstand voor onsterfelijkheid, dat is een redelijke prijs.