Reve Museum

Kester Freriks gaf in de rubriek hiernaast (CS 19/12) zijn opvatting over het Gerard Reve Museum, dat de Volksschrijver op zijn 80ste verjaardag werd aangeboden. Een mening die even zelfgenoegzaam tot stand kwam als de beweringen waarmee hij van wal gaat. Had hij zich namelijk wel geïnformeerd, dan had hij geweten:

1. Dat het museum niet `wordt weggeborgen in een achterafruimte' maar prominent opent aan de voorzijde van de centrale vestiging van de Openbare Bibliotheek aan de Prinsengracht te Amsterdam. Op de 1ste etage, direct naast lift en trappenhuis, is 7 dagen per week, gratis voor iedereen, de prachtige zaal van het Bibliotheekmuseum beschikbaar gesteld. Met vitrines én leestafels!

2. Dat de OBA wel degelijk op de hoogte was. Van het museum dan, van de door Freriks opgevoerde telefoontjes kan niemand van de genoemde afdelingen zich ook maar iets herinneren.

3. Dat de stichtingen die het economisch draagvlak boden zich niet verschuilen achter zonderlinge namen (gevaarlijke xenofobie!), maar zich bij de presentatie openhartig voorstelden aan de aanwezigen, waaronder zelfs een cameraploeg van het NOS-journaal.

(Ook zijn mening, namelijk dat het museum de afstand tot het werk zou vergroten, is te makkelijk. Boeken kunnen bijna alles, maar zichzelf openen, dat kunnen de meeste niet. Lectuurbevordering komt dus meestal van buiten, van de kaft, van ander werk, van de persoon van de auteur, van een biograaf of van een andere aanbevelende of inspirerende instantie.

Het oeuvre van Reve bevat ook een verstandschkiesch, mét certificaat. Bewaren? Ik stel voor dat we die vraag niet door Kester Freriks laten beantwoorden. Mede dankzij zijn eigen Museum kan ook ons nageslacht over de hele Reve beschikken. En daaruit volop, met gevoel en verstand, kiezen.