Per ongeluk in opstand

Elf jaar geleden kreeg de dichter Adam Thorpe grote bekendheid door zijn romandebuut Ulverton. Fragmenten uit driehonderd jaar geschiedenis van een Zuid-Engels dorpje, gezien door de ogen van vroegere bewoners. Sindsdien publiceerde hij vier andere prozawerken, die met gemak in de herinnering terugkeren. En dat heeft hij nu opnieuw bereikt: al is No Telling minder verheugend dan Ulverton, het is ongewoon genoeg om je na lezing bezig te houden.

Een Fransman, Gilles Gobain, vertelt over zijn jeugd in Bagneux, een onbekoorlijke banlieue van Parijs. Hij woont als jongetje van tien bij zijn moeder en stiefvader; hij heeft een zusje dat naar een psychiatrische kliniek moet, en een vriendje, Christophe, met wie hij de middagen doorbrengt in de verwilderde tuin van een oud hospitaal. Aan het begin is het 1965; in vierhonderd pagina's passeren drie jaren van een jongensleven dat ongemakkelijk is zonder opzienbarend te worden.

Dan is het lente in 1968; de volgende honderd pagina's gaan over Gilles' ervaringen in dat ene etmaal dat hij met zijn moeder in Parijs is – net op de dag van de grote studentenopstand. Hij raakt erin betrokken, als nietsvermoedend slachtoffer van de oproerpolitie en zijn moeder wordt met een gebroken schedel afgevoerd naar het ziekenhuis. Daarna is er een uitschieter van het verhaal naar vierendertig jaar later, wanneer Gilles' moeder begraven wordt; en aan het slot zijn we weer terug in 1968 wanneer het weer rustig is in de région Parisienne. Een overzichtelijke structuur, waarbij de uitbarsting van de studenten in aangrijpend contrast staat tot het voorafgaande leven in de buitenwijk.

Toch rijzen er vragen op over de relatie van de auteur met zijn hoofdpersoon. Gilles' leeftijd komt overeen met die van Thorpe; en Thorpe, let wel, groeide op in Frankrijk, waar hij ook nu weer woont. In een roman met zo'n autobiografische allure moeten de ervaringen van de hoofdpersoon wel variaties zijn op die van de schrijver. Moeten wij Gilles en zijn ras-Franse ouders, die nergens in het boek een woord aan Engeland besteden, zien als gegallificeerde Thorpes? Na hun gallificatie zijn zij dan weer geangliciseerd, want zij drukken zich uit in idiomatisch Engels zonder Franse accenten. En dat is vreemd. Ineens klopt de figuur van Gilles niet. Hij is twee figuren tegelijk; hij valt nooit helemaal samen met zichzelf.

Een andere eigenaardigheid is dat de dubbelfiguur lijdt aan total recall. Hij herinnert zich allerlei kleinigheden die niet bijdragen tot een beter begrip maar die, integendeel, het verslag van de gebeurtenissen te ver uitrekken en versnipperen. Gilles beweert dat dat komt door de klappen van de oproerpolitie; voordien had hij een normaal geheugen waar negen tiende van de herinneringen uit wegviel. Hoe merkwaardig dit fenomeen ook is, het moet in verhalen zoveel mogelijk onderdrukt worden, anders gaan ze te lang duren. Thorpes vertelkunst lijdt eronder dat Gilles zich te veel woorden en blikken en bijgedachten herinnert zodat zijn lezer ongeduldig wordt en denkt: dat kan niet, zo werkt de herinnering niet. De mijne wel, zou Gilles/Thorpe antwoorden.

Twee problemen dus: de dubbelrol van de hoofdpersoon en zijn onverzadigbare geheugen. Ter compensatie biedt Thorpe het verhaal over de jongen en zijn moeder in de opstand van 1968, een ontstellend en meeslepend bestanddeel van de roman. Ook de fragmenten van Gilles' jeugd in Bagneux zijn het meebeleven waard, en zijn ouders vertegenwoordigen sprekend, zelfs in het Engels, de vormeloosheid en de werkdruk van de banlieue.

Adam Thorpe: No Telling.

Jonathan Cape, 516 blz. €24,95