Partij vijand van Chinese banken

Zal de jongste kapitaalinjectie de Chinese staatsbanken redden? De banken zijn bedolven onder een berg oninbare leningen. Het perspectief op bankroet is voorlopig hun redding.

China heeft eerder deze week bekendgemaakt dat het twee van de vier grote staatsbanken een fikse kapitaalinjectie heeft gegeven, mede met de bedoeling om op den duur buitenlandse investeerders voor de staatsbanken aan te trekken.

Maar wordt het daarmee nu inderdaad zo aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders om geld in een Chinese staatsbank te stoppen? Dat is nog maar zeer de vraag. Buitenlandse bankiers zien het wel als een gunstig teken dat de Chinese overheid geld van zijn zeer ruime reserve aan buitenlandse deviezen in de banken steekt, maar daarmee zijn de banken nog niet zomaar gezond gemaakt.

Alle vier grote Chinese staatsbanken kampen met een uitzonderlijk hoog percentage aan slechte leningen, dat door China op ruim 20 procent en door het buitenland op misschien wel het dubbele wordt geschat. Dat probleem bleek in het verleden niet op te lossen door alleen maar meer staatsgeld in de banken te pompen. Om het probleem echt te verhelpen, moet de onderliggende kredietcultuur eerst wezenlijk veranderen.

Dat zal niet makkelijk zijn. Westerse bankiers vermoeden bijvoorbeeld dat het nog steeds veel voorkomt dat zowel de ambtenaar bij de bank die verantwoordelijk is voor het verstrekken van een lening als de vertegenwoordiger van het (staats-)bedrijf dat de lening afneemt, persoonlijk een provisie van de bank krijgt als de lening inderdaad wordt afgesloten. Dat werkt een rationeel leningenbeleid natuurlijk niet in de hand, en het maakt het moeilijk voor westerse banken om te concurreren met hun Chinese collega's.

Ook zien de staatsbanken zichzelf veelal nog als een instelling die bedoeld is voor de herverdeling van publieke fondsen, zoals dat sinds de communistische machtsovername in 1949 gebruikelijk was. Staatsbedrijven hebben daarbij het idee dat ze simpelweg recht hebben op die fondsen, die ze eerder als een subsidie dan als een lening zien. Dat is niet makkelijk te veranderen zolang de banken uiteindelijk onder het politieke toezicht van de communistische partij blijven staan, en geen werkelijk onafhankelijke eenheid vormen.

China hoopt nu dat buitenlandse investeerders de banken kunnen omvormen tot werkelijk commerciële instellingen, of in ieder geval hoopt Peking dat buitenlandse investeerders gelóven dat dat China's uiteindelijke bedoeling is. Het kan echter blijken dat China – als het er echt op aan komt – niet bereid of in staat is om de banken grondig te hervormen, omdat dat misschien alleen maar mogelijk

is als de communistische partij haar vingers onder geen voorwaarde meer in de suikerpot mag steken.

Maar zelfs als je de bedrijfscultuur buiten beschouwing laat, en alleen kijkt naar het aanbod zelf, dan is de aantrekkelijkheid ervan niet zeer groot. De Bank of China (BoC) en de China Construction Bank (CCB) zijn vooral uitverkoren voor de kapitaalinjectie, omdat zij een lager percentage slechte leningen hebben dan de andere banken. Maar dan gaat het bij de in dat opzicht meest gezonde bank, de CCB, toch nog om een percentage van 11 procent slechte leningen. Dat is uitzonderlijk laag voor Chinese, maar opvallend hoog voor westerse begrippen.

Misschien zullen de grote Chinese banken uiteindelijk rechts worden ingehaald door de kleinere, regionale banken, en door andere financiële instellingen. Die zijn wellicht door hun formaat en door een grotere noodzaak om winst te maken veel sneller in staat om zich aan de veranderende marktomstandigheden aan te passen. De grote staatsbanken hoeven uiteindelijk toch niet écht winst te maken: de Chinese overheid zal ze niet snel werkelijk failliet laten gaan, omdat dat de Chinese economie zeer waarschijnlijk in een diep dal zou storten.