Orgaandonatie

Een van de goede voornemens van het kabinet-Balkenende voor 2004 is een evaluatie van de Wet op de orgaandonatie, eventueel gevolgd door een wijziging van die wet. Vooruitlopend op deze voornemens publiceerde het Rathenau Instituut eind 2003 een interessante studie over orgaandonatie, getiteld Gift of bijdrage?, geschreven door de Amsterdamse ethicus Govert den Hartogh.

De Wet op de orgaandonatie werd aangenomen in 1996 na een opvallend spannend debat in de Tweede Kamer met een glansrol voor toenmalig VVD-leider Bolkestein. Te elfder ure, tijdens de plenaire behandeling van de wet, bekeerde de woordvoerder van de CDA-fractie, Ad Lansink, zich tot het geenbezwaarsysteem, waarin iedere overledene als orgaandonor wordt beschouwd tenzij hij of zij bij leven heeft laten weten dit niet te wensen. Lansink vond dit systeem vooral `cultureel-filosofisch' beter te verdedigen dan het toestemmingssysteem uit het toenmalige wetsontwerp, waarin hersendode patiënten slechts als donor mogen worden gebruikt wanneer zij daarvoor zelf of hun nabestaanden namens hen toestemming hebben gegeven. ,,Wij zijn niet van onszelf, maar van elkaar'', aldus de CDA-woordvoerder. Deze uitspraak werd door Bolkestein gepareerd met een vinnig ,,Wij zijn helemaal niet van elkaar'' en het is deze visie van Bolkestein, aldus Den Hartogh, die ten onrechte bepalend is geworden voor de manier waarop wij denken over orgaandonatie.

Het zelfbeschikkingsrecht heeft waar het gaat om orgaandonatie een geëxalteerde status gekregen. Gemakshalve vergeten wij dat er honderd en één dingen zijn die wij niet met onszelf mogen laten doen na de dood: we mogen ons niet laten opzetten, we mogen niet in een kano de zee opdrijven, we mogen ons lijk niet laten opvreten door de dieren in Artis; in feite mogen we maar een heel beperkt aantal dingen laten doen met ons overleden lichaam, omwille van conventies, hygiëne en piëteit. Een morele verplichting om organen te doneren aan orgaanbehoevende zieken, zou een relatief geringe extra inperking van onze postmortale beschikkingsbevoegdheid zijn, voor een uitgesproken goed doel bovendien, en niettemin reageren we daar nogal hysterisch op.

Den Hartogh pleit evenwel niet voor invoering van een geenbezwaarsysteem. Volgens hem moeten we het invullen van een donorcodicil of registratieformulier gaan zien als een bijdrage aan een soort verzekeringssysteem. Als wij ziek worden en een orgaan nodig hebben, komen we daar graag voor in aanmerking en het lijkt dan redelijk dat we ons steentje bijdragen aan dat collectieve systeem door een donorformulier in te vullen als we gezond zijn. Doen we dat niet, dan komen we als we onverhoopt toch zelf ziek worden en gebaat zouden zijn bij een lever of een nier onderaan de wachtlijst terecht, in elk geval onder medepatiënten die zich wel als donor lieten registreren. Orgaandonatie is in het systeem van Den Hartogh geen altruïstische geste, het is een morele plicht.

Het probleem met dit systeem is dat er vermoedelijk nog steeds veel mensen zullen overlijden die zich niet hebben laten registreren. Ik moet nog zien of de sanctie op niet-bijdragen effectief zou zijn (meer verklaarde donoren zou opleveren) en of artsen bereid zouden zijn deze ook echt te effectueren (Cardioloog tegen 27-jarige patiënt: ,,Een eventueel donorhart komt vermoedelijk te laat voor u. U heeft zich immers nooit als donor laten registreren en dat betekent dat u onderaan de wachtlijst staat, zelfs al komt er een hart beschikbaar dat goed past bij uw weefseltype.'') Als mensen overlijden zonder donorcodicil of andere wilsverklaring, is het beslissende woord nog steeds aan hun nabestaanden en voor die nabestaanden is donatie wél een altruïstische geste en bepaald geen morele plicht. Te zeggen dat hun zojuist hersendood verklaarde familielid bij leven een morele plicht tot donatie had is misschien juist, maar overtuigt helemaal niet als de persoon in kwestie aan de beademingsapparatuur ligt en veel te jong is overleden door een ongeval of een beroerte. Op zo'n moment is het idee dat de betrokkene morele plichten zou hebben eigenlijk onverdraaglijk; dan zijn nabestaanden vooral bezig met wat zij nog voor hun dierbare kunnen doen als afscheidsritueel. Dan willen zij tot het einde bij hem blijven, ook als de stekkers van de beademingsapparatuur eruit getrokken worden. Ze willen hem bij voorkeur niet alleen laten met vreemden in een koude operatiekamer. Het belangrijkste argument dat nabestaanden ertoe zal brengen desondanks toestemming te geven voor donatie, is dat de overledene dit zelf zou hebben gewild. Het belangrijkste dat een gewijzigd systeem dan ook zou moeten doen is ervoor zorgen dat er wordt geregistreerd. Dat kan wellicht door het invoeren van prikkels zoals de plaats op de wachtlijst van Den Hartogh, maar het kan vermoedelijk nog beter door een logisch moment te kiezen waarop mensen verplicht moeten aangeven of zij wel of geen donor willen zijn: bij het aanvragen van een paspoort of rijbewijs, of bij de inschrijving bij een huisarts.

Een dergelijk verplicht keuzesysteem wordt door Den Hartogh welwillend besproken en is inmiddels ook gelanceerd door de fractie van D66 in het parlement. Misschien moeten we die kant maar eens uit gaan denken.