Op een avond in het park

Op de vraag of verkrachting in fictie of non-fictie erger is, is maar één antwoord mogelijk: in non-fictie. Dat het in literair opzicht een beklemmendere leeservaring kan zijn, bewijst, pijnlijk paradoxaal, de Amerikaanse schrijfster Alice Sebold (1963). Vorig jaar verpulverde zij een van de vele verkooprecords met haar roman De wijde hemel waarin de hoofdpersoon, de dertienjarige Susie Salmon, verkracht en vermoord wordt door haar buurman. Vanuit de hemel registreert de tiener de psychologische en emotionele gevolgen voor haar familie en vriendinnetjes. Het romanperspectief van het slachtoffer als alwetende verteller, was als `dramatische ironie' een vondst die bijdroeg aan de beklemming en het ongemak; alleen Susie wist wie de dader was en wat er precies was gebeurd.

Alice Sebold werd in werkelijkheid zélf verkracht toen zij een negentienjarige letterenstudente was. En nog maagd. In haar debuut Geluksvogel uit 1999, dat dus voorafging aan de roman, doet ze verslag van die verkrachting op die ene gruwelijke avond in mei 1981. Rond middernacht liep ze in het donkere park van de campus naar huis. Een zeventienjarige jongen sleurt Sebold een tunnel in, mishandelt en verkracht haar en laat haar ternauwernood levend gaan. Pas na vijftien traumatisch doorwerkende jaren is ze in staat te schrijven over de rechtszaak en alle (dagelijkse) gevolgen. Die zijn ook voor haar omgeving desastreus, maar in die vijftien jaar heeft iedereen de gebeurtenissen zoals dat heet, een plaats gegeven.

Net op het moment dat Sebold haar identiteit als verkrachtingsslachtoffer van zich af lijkt te werpen, merkt ze echter dat die identiteit publiekelijk bestendigd blijft. Tijdens het onderzoek voor Geluksvogel naar `de zaak Sebold', wordt ze geholpen door een rechtbankmedewerkster. Die beweert dat `het slachtoffer in die zaak mijn beste vriendin was'. Maar Sebold heeft de dame in kwestie nooit eerder ontmoet. De conclusie die zij daaruit trekt luidt: `Een slachtoffer kennen is net zoiets als een beroemdheid kennen. Met name wanneer de misdaad in de taboesfeer ligt'.

Het is precies deze voyeuristische vriendinnenbehoefte die het beoordelen van Geluksvogel zo moeilijk maakt. Dat Sebold stilistisch en vormtechnisch niet op dreef is mag haar nauwelijks worden aangerekend bij zoiets verschrikkelijks. Iets anders is dat je bijna onvermijdelijk terechtkomt in de vergelijkbare morele discussie of je van de holocaust literatuur mag maken. Toen ooit bleek dat het als waarheid gepresenteerde oorlogsverhaal Jacob Littners aantekeningen uit een aardhol uit 1948 geheel verzonnen bleek door romancier Wolfgang Koeppen, vlogen voor- en tegenstanders elkaar in de haren.

Iets dergelijks gebeurt bij beide boeken van Alice Sebold. Geluksvogel is `erger' want echt – maar als boek over geweld is het minder goed geschreven. Wie de betekenis van geweld wil doorgronden en met meer impact wil `ondergaan', kan dus beter terecht bij het fictionele De wijde hemel. En daarmee bewijst de schrijfster waarschijnlijk onbedoeld dat fictie meer uitwerking op de lezer kan hebben dan ervaringsliteratuur. Want in Geluksvogel stond ze als slachtoffer nog niet boven de stof. Al blijft dat een onmogelijk verwijt.

Alice Sebold: Geluksvogel. Vertaald uit het Engels door Marianne Gaasbeek.

Cargo/Bezige Bij, 318 blz. €18,90